Allochtone scholieren scoren lager

Allochtone leerlingen slagen minder vaak voor hun eindexamen dan autochtone leerlingen en gaan vaker naar het voorbereidend beroepsonderwijs en de Mavo. Als ze wel examen doen op Havo/VWO-niveau, halen ze lagere cijfers.

Dat blijkt uit het Onderwijsverslag 1998 dat de Onderwijsinspectie vanmiddag heeft gepresenteerd. De Inspectie vergeleek voor het eerst de eindexamenresultaten van allochtone en autochtone middelbare scholieren. De Inspectie baseert zich op onderzoeken van de Inspectie zelf, het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en de Informatie Beheergroep.

Gemiddeld doen meer allochtone leerlingen eindexamen op een laag onderwijsniveau (Mavo en voorbereidend beroepsonderwijs) dan autochtone leerlingen. Terwijl de allochtone leerlingen zeven procent uitmaken van alle eindexamenkandidaten, is slechts twee procent van de VWO-kandidaten allochtoon en drie procent van de Havo-kandidaten. Zeven procent van de eindexamenkandidaten Mavo is allochtoon en in het voorbereidend beroepsonderwijs (voorheen onder meer LTS) zelfs elf procent. In totaal deden vorig jaar bijna 180.000 leerlingen eindexamen in het voortgezet onderwijs.

Allochtonen slagen ook minder vaak dan autochtonen voor hun examen. Op het VWO en Havo hebben autochtone leerlingen twintig procent meer kans om voor hun eindexamen te slagen dan allochtone leerlingen. Op de Mavo hebben de autochtone leerlingen veertien procent meer kans en in het voorbereidend beroepsonderwijs is dat negen procent.

De allochtone leerlingen die wel slagen, halen lagere cijfers voor hun eindexamen dan autochtonen. Zo scoren allochtonen op het VWO en de Havo een halve punt lager voor Nederlands en Engels. Voor wiskunde ligt dat cijfer 0,7 punt lager. Opvallend is dat er bij autochtone leerlingen nauwelijks verschil is tussen het cijfer dat zij halen voor hun schoolonderzoeken, hetgeen de helft van hun uiteindelijke eindexamencijfer uitmaakt, en het centraal schriftelijk eindexamen. Allochtone leerlingen scoren bij hun schoolonderzoeken gemiddeld een halve punt hoger dan bij het eindexamen, waardoor ze bij de schoolonderzoeken bijna even goed presteren als autochtone leerlingen.

Onder allochtone leerlingen worden hier die kinderen gerekend wier beide ouders afkomstig zijn uit landen als Marokko, Turkije, voormalig Joegoslavië, Suriname en de Antillen. Voor deze leerlingen krijgt de school extra geld om de achterstand aan te pakken. Daarnaast is er een groep allochtone leerlingen van wie bijvoorbeeld één ouder uit een niet-westers land komt of beide ouders uit een westers land anders dan Nederland. Deze kinderen scoren ook minder goed dan autochtone kinderen, maar het verschil is minder groot.