Schilderijen moeten desnoods achter glas

Nederlandse musea moeten rigoureuze veiligheidsmaatregelen treffen om vernieling van schilderijen door gestoorden tegen te gaan, vindt Marianne Vermeijden. Het handhaven van de `ongedwongenheid en benaderbaarheid' van kunstwerken, zoals de directeur van het Stedelijk Museum wil, duidt op een gebrek aan realiteitszin.

Opnieuw is het mes gezet in een topwerk uit de collectie van het Stedelijk Museum in Amsterdam. Dit weekeinde moest een Picasso eraan geloven. Niet zomaar een van de tientallen Picasso's die, zoals de Kunsthal in Rotterdam ze tot juli exposeert, nog wel uit het tweede echelon kunnen worden aangekocht; nee, het gaat om een mooi, sterk en voor Nederland onbetaalbaar hoogtepunt (1956) uit het oeuvre, verworven door oud-Stedelijk-directeur Edy de Wilde, die daar een meesterlijk oog voor had.

Femme nue devant le jardin (Vrouwelijk naakt voor de tuin) laat in zandkleuren en in een spaarzaam blauw en groen een slapend naakt zien, zonnebadend in een hangmat. De tuin is mediterraan en schaduwrijk en het heftige Zuid-Franse zonlicht weerkaatst van het naakt net zo heftig als de schittering in het water van het ongetwijfeld nabije zwembad. Ook wie minder vaak het Stedelijk Museum bezoekt, moet het doek wel eens tegen het lijf zijn gelopen. Het was als een favoriet vaak op de zaal te vinden. Het straalt van een on-Hollands `joie de vivre', het doet op grijze dagen verlangen naar ver weg, naar een ander seizoen, naar een meer aardse vorm van genieten, waarin Picasso ook al excelleerde.

Deze aanslag is sinds 1986 nummer vier in hetzelfde museum. Als je als bezoeker al last hebt van plaatsvervangende schaamte, hoe moet de Stedelijk-staf zich dan wel niet voelen? Een andere dwaas sneed tot twee keer toe een werk van Barnett Newman aan flarden, in 1986 en '97, en in 1996 voelde een Russische artiest zich geroepen om bij wijze van performance een gifgroen dollarteken op een schilderij van Malevitsj te spuiten.

Onbegrip of haat jegens de geometrisch-abstracte schilderkunst, zoals gesuggereerd na de beschadigingen van de Barnett Newmans, is niet aan de orde. Het gaat om daders die ziek zijn, maar blijkbaar niet zo ziek dat ze in de gaten moeten worden gehouden. Ze wachten meer of minder bewust op de kans om het nog eens over te doen. Zo kon dezelfde man die in 1990 de Nachtwacht in het Rijksmuseum in Amsterdam met zwavelzuur bespatte, dit keer met een bot mesje effectiever te werk gaan. Reden temeer om bij dit soort `ongelukken' een jarenlang, desnoods levenslang museumverbod op te leggen.

Veel eerder al is op deze pagina het voorstel gedaan om net als in zovele buitenlandse musea beschermend glas aan te brengen. Kunsthistorici voelen daar weinig voor. Soms is dat begrijpelijk, want juist schilders als Mark Rothko, Barnett Newman en Ellsworth Kelly, colorfield-painters zoals ze genoemd worden, speelt de verfhuid een allesbepalende rol. Met name Rothko wist de verf op zijn doeken een zuigende, zo men wil, bijna hallucinerende werking mee te geven. Een zindering op het platte vlak, die, hoe wonderbaarlijk ook, bezit kan nemen van ruimte en kijker.

Niet alleen Rothko, maar ook elk ander doek laat zich minder goed vanachter glas bekijken, menen kunsthistorici en andere kenners. Het glas verhindert dat je precies ziet wat de schilder ooit zag én deed. Het vergroot de afstand ten opzichte van werk en maker, terwijl men juist een museum bezoekt voor de directe confrontatie, menen deskundigen.

Allemaal mooi en aardig, maar intussen zijn we vier beschadigde, uiterst belangrijke kunstwerken verder en moet het Stedelijk Museum in binnen- en buitenland zo langzamerhand de reputatie genieten van een niet al te oplettend instituut, een soort therapeutische vrijplaats voor vernielzuchtige gefrustreerden. Een reputatie die toekomstige, museale en particuliere bruikleengevers, die wat beveiliging betreft steeds veeleisender zijn geworden, nauwelijks kan motiveren.

Het handhaven van de `ongedwongenheid en benaderbaarheid', waar Nederlandse musea, aldus Stedelijk-directeur Rudi Fuchs gisteren op de persconferentie, zo `befaamd' om zijn, duidt op gebrek aan realiteitszin. Het veel drukker bezochte Louvre krijgt vanwege zijn tassencontrole niet minder bezoekers.

Nu musea zich als plaats van bezinning allang hebben ontwikkeld tot laagdrempelige vermaakcentra is het hoog tijd om rigoureuze veiligheidsmaatregelen te treffen. Dezelfde die allang in buitenlandse musea van kracht zijn: bij binnenkomst een tassencontrole of een elektromagnetisch poortje, daarna een consequent doorsluizen van bagage naar de garderobe, desnoods een stalen balk om mensen bij doeken als die van Rothko op een afstand te houden, en als dat allemaal niet kan, dan in vredesnaam de topwerken maar achter glas plaatsen.

Het zal het Stedelijk Museum niet zijn ontgaan dat er juist voor dit doeleinde glas wordt gefabriceerd dat weinig of geen licht reflecteert, sterker nog, dat zich bijna volledig aan het oog onttrekt. Mocht er weer te weinig geld en te weinig mankracht zijn om deze of gene maatregel te effectueren – want dat is zo vaak in de sector cultuur het geval – dan is dit voor de zo ambitieuze staatssecretaris van Cultuur de gelegenheid bij uitstek om daadkracht te tonen. Of wachten we weer liever op het volgende slachtoffer – om als Nederlands museum vooral zo prettig toegankelijk te worden bevonden?

Marianne Vermeijden is redacteur van NRC Handelsblad.