Ruggeprik 3

In de reacties op mijn artikel `Routinematige ruggenprik is onverantwoord' (NRC Handelsblad, 4 mei) wordt veelvuldig gespeculeerd over de herkomst van de onderzoeksresultaten die ik gebruik om mijn betoog te staven. Die zijn niet afkomstig van de anesthesioloog Joris Lemson of van observationeel Nederlands onderzoek, maar voor het grootste deel van een meta-analyse uit de Cochrane Library (1999). Daarin zijn twaalf gerandomiseerde klinische trials betrokken, waarvan de resultaten consistent zijn. Dat betekent dat er wel degelijk een oorzakelijk verband bestaat tussen epidurale pijnbestrijding en bepaalde complicaties. De gezaghebbende groep wetenschappers van de Cochrane Collaboration zegt erover: ,,Gezien het wetenschappelijke bewijs van de effecten die epidurale analgesie heeft op het verloop van de bevalling, kan van een moeder die epidurale analgesie krijgt, niet langer worden gesteld dat ze een `normale' bevalling heeft.''

Het routinematig aanbieden van een ruggenprik heeft dus een hoge prijs: het verlies van de normale bevalling. Amerikaanse gynaecologen, vroedvrouwen en consumenten hebben mij beschreven dat er grote druk op een cliënt wordt uitgeoefend als zij aangeeft zonder pijnbestrijding te willen bevallen, de keuzevrijheid ten spijt. Of het in Nederland ooit zover zal komen, hangt niet alleen af van de `vroedvrouwenmaffia', om met Marjet van Zuylen te spreken, maar van de keuzes die alle betrokken partijen daarin maken.