Ruggeprik 2

In hun bijdragen geven verloskundige M. Croon (4 mei) zowel als anesthesioloog R. van Ee en gynaecoloog M. Schutte (12 mei) een helder beeld van de risico's van de anti-pijnprik bij bevallen. Na krachtige kritiek op het routinematige gebruik van de ruggenprik krijgt het betoog van Van Ee en Schutte echter een merkwaardige wending. ,,Het zal moeilijk blijken de huidige Nederlandse baringscultuur te handhaven'' zo constateren zij. Inderdaad zal dat zo zijn wanneer er zo gelaten wordt gereageerd op medicaliserende zorgvragen. De `druk vanuit de samenleving' is voor de beroepsverenigingen van gynaecologen en anesthesiologen voldoende aanleiding om de `epidurale service' uit te breiden.

Kennelijk weten gynaecologen slecht raad met de verwachtingsangst van vrouwen. Het aanbieden van medische oplossingen voor dit psychologische probleem kan nooit een remedie zijn. Goede voorlichting is essentieel, zodat consumenten een welgeïnformeerde keuze kunnen maken. Hierin hebben de betrokken beroepsgroepen vanuit hun professionele deskundigheid een grote verantwoordelijkheid. Zeker binnen de verloskunde, waar de gezonde cliënt gemakkelijk tot een van artsen afhankelijke patiënt kan worden.

De `druk vanuit de samenleving' waar Van Ee en Schutte over klagen zou wel eens sterk kunnen verminderen door het ontwikkelen van een evenwichtig voorlichtingsbeleid. Consumenten moeten weten waarom het de moeite waard is om de Nederlandse baringscultuur te handhaven: in hun eigen belang, vanwege unieke kwaliteiten zoals een individueel gerichte zorg op maat. Dat betekent onder meer dat een vrouw ook nu al recht heeft op een verdoving als de baringspijn pathologisch is of wanneer die ondraaglijk wordt.