Ozon-regels drijven schepen naar Antwerpen

Voor het ontsmetten van schepen gelden in Nederland strenge regels. België en Duitsland zijn soepeler. Het gevolg: schepen met granen, rijst en grondstofen voor veevoer mijden steeds vaker de haven van Rotterdam en wijken uit naar Antwerpen of Hamburg.

Nederland draagt zijn steentje bij aan de bescherming van de ozonlaag. Zo mag methylbromide, een berucht goedje dat jaren geleden populair was bij onze tuinders, nog maar zeer beperkt worden toegepast. Methylbromide tast namelijk de ozonlaag aan. Het is echter ook een goedkoop en effectief en snelwerkend middel om ongedierte te bestrijden in schepen die granen, rijst, veevoeders (zogenoemde agribulk) en zelfs specerijen vervoeren. Maar voor het onsmetten van zeeschepen en ook containers (specerijen), lichters en binnenvaartschepen die agribulk transporteren, gelden strenge regels. ,,Te streng, in de praktijk niet werkbaar en bovendien contraproductief omdat ze niet worden toegepast in concurrerende havens van Le Havre tot Hamburg'', zegt Jaap Lems, de fungerend havenmeester van Rotterdam.

De agribulk-lading in zeeschepen, binnenvaartschepen (lichters) en containers wordt meestal met methylbromide en in mindere mate met andere ontsmettingsgassen als fosfines bewerkt om ongedierte, zoals insecten en allerlei ziekteverwekkers te doden. Fosfines (fosforwaterstofverbindingen die niet schadelijk zijn voor de ozonlaag) worden vooral gebruikt voor het ontsmetten van cacao. Ladingontvangers, in Nederland en Europa, eisen garanties dat de lading is ontsmet. Sommige landen die beducht zijn voor besmetting uit andere werelddelen, zoals Australië en Nieuw Zeeland, hanteren zelfs strikte eisen dat containers met agribulk met methylbromide moet zijn behandeld.

Bij het `gassen' van schepen zoals het ontsmetten in havenjargon heet, geldt in Nederland de eis dat personen of werkruimten zich niet binnen 100 meter van het schip of de container mogen bevinden. Die afstand mag worden teruggebracht tot 10 meter bij het behandelen van een container met methylbromide mits de wettelijk toegestane concentratie van deze stof (de zogenoemde MAC-waarde) niet wordt overschreden.

Deze eisen acht het Rotterdamse Havenbedrijf te streng. In de praktijk worden volgens de Rotterdamse havenmeester `zelden of nooit' op meer dan 10 meter afstand van het schip of de container concentraties hoger dan de toegestane MAC-waarde gemeten. In alle andere Westeuropese havens, van Le Havre tot Hamburg, geldt de 10 meter-grens. Het Rotterdamse Havenbedrijf, de havenondernemersorganisatie SVZ en de betrokken verladers bepleiten al enige jaren dat de afstand van 10 meter ook in Nederland moet worden aangehouden maar tevergeefs.

Het Rotterdamse Havenbedrijf stelt vast dat schepen met agribulk-lading de laatste jaren uitwijken naar andere havens, zoals Antwerpen. De aanvoer van agribulk in Rotterdam daalde tussen 1994 en 1998 van 13,7 naar 9,2 miljoen ton. Een van de oorzaken van deze ontwikkeling is volgens de Rotterdamse havenmeester het `eenzijdige' Nederlandse beleid voor het ontsmetten. Lems baseert zijn oordeel op harde cijfers: ,,In Rotterdam werden in 1992 3400 containers `gegast', in 1998 minder dan 1000, terwijl het containervervoer in die jaren is verdubbeld. Vorig jaar werden in Antwerpen 18.000 containers met methylbromide en andere middelen behandeld terwijl de containeroverslag in Antwerpen maar de helft is van die in Rotterdam.''

Het probleem is niet vandaag of gisteren. Lems: ,,We hadden enkele jaren geleden met de Arbeidsinspectie afgesproken dat de toegestane MAC-waarde bepalend zou zijn voor de afstand die in acht zou worden genomen, dus minimaal tien meter of zonodig meer. Maar mede onder invloed van het ministerie van Vrom worden de afspraken heel streng geïnterpreteerd. Als iemand met zijn auto op 75 meter afstand voorbij komt terwijl een schip wordt gegast, wordt het werk stil gelegd. Al dat gedoe lijkt maar één doel te hebben: verladers te ontmoedigen hun schepen in Rotterdam te laten ontsmetten.''

In de Rotterdamse haven kwamen vorig jaar 1600 zeeschepen met agribulk aan. De economische spin off van de behandeling van deze schepen bedraagt enkele tientallen miljoenen guldens. Met het verlies van agribulklading aan Antwerpen en Duitse havens is eveneens vele tientallen miljoenen guldens gemoeid. Als er minder wordt aangevoerd, neemt ook de binnenvaart af. Lems: ,,In 1992 werd naar schatting 40.000 ton agribulk met lichters en andere kleine schepen vanuit Rotterdam naar bestemmingen in het achterland vervoerd. In 1998 was dat nog maar 14.000 ton.''

Het `ontmoedigingsbeleid' (Lems) heeft twee redenen. Het terugdringen van het gebruik van methylbromide past in het beleid ter bescherming van de ozonlaag zoals mondiaal is afgesproken in de overeenkomst van Montreal. Het ministerie van Vrom loopt voorop bij het uitvoeren van de afspraken van `Montreal'. En het hanteren van de 100 meter-afstandseis vergemakkelijkt de taak van `handhavers' als de Rotterdamse Rivierpolitie die erop moeten toezien dat regels worden gerespecteerd.

Het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen (CTB), het orgaan dat de Nederlandse milieunormen bepaalt, stelde vast dat de `bijdrage van de onderhavige toepassing (het gebruik van methylbromide voor ontsmetten van agribulkladingen) aan de mondiale emissie van methylbromide verwaarloosbaar is'. Die uitspraak relativeert de controverse over 10 of 100 meter tot een handhavingsprobleem als onderdeel van een ontmoedigingsbeleid.

De stringente toepassing van de 100 meter-afstandeis heeft als gevolg dat grote schepen met agribulk in Rotterdam praktisch niet behandeld kunnen worden. Een schip met een lengte van 150 meter dat ontsmet moet worden, heeft een gebied nodig met een middellijn van 350 meter. Die ruimte is er in de haven niet. Het ontgassen kan alleen op zee plaatsvinden, wat extra tijd en kosten vergt. Alleen voor de kleinere binnenschepen (lichters) kent de Rotterdamse haven een aangewezen locatie voor het ontsmetten van bulklading: in de Johan Willem Frisohaven.

Het rigide beleid voor het gebruik van methylbromide bij ontsmetten van schepen is volgens Lems in twee opzichten contra-productief: ,,De handel verdwijnt en het milieu is per saldo de verliezer. Kapiteins van agribulkschepen die de strenge Nederlandse regels kennen, wijken uit naar Antwerpen, ze behandelen hun lading zelf met methylbromide, of laten de vracht in de laadhaven ontsmetten. Dat laatste gebeurt vaak ondeskundig en overgedoseerd. Omdat ze weten dat hun schepen in Rotterdam gecontroleerd worden, doen ze enkele dagen voor aankomst op zee de luiken open. De aanwezige methylbromide stijgt dan op, met alle gevolgen voor de ozonlaag.'' Soms worden bestrijdingsmiddelen na gebruik aan boord in zee gegooid dat zijn de zakjes of repen papier die af en toe in groten getale op het strand aanspoelen.