Onbevoegde leraar hoort niet voor klas

Het plan om onbevoegde leraren voor de klas te zetten en aldus het lerarentekort op te heffen, leidt tot een verdere daling van de status van het leraarsberoep, vindt Douwe Jansz.

Al jarenlang is bekend dat er in het basis- en voortgezet onderwijs een tekort aan onderwijsgevenden zou ontstaan. Al die tijd heeft de overheid – behoudens een publiciteitscampagne voor de lerarenopleiding voor het basisonderwijs – nauwelijks iets wezenlijks aan dit probleem gedaan. Maar met het verschijnen van de notitie Maatwerk voor morgen, dat diverse voorstellen bevat om het aanzienlijke tekort aan te pakken, probeert minister Hermans van Onderwijs daar verandering in te brengen.

Een van die voorstellen is het plaatsen – na een speciale test – van onbevoegden voor de klas. Het is een volslagen ondoordacht en volstrekt verwerpelijk idee.

De animo om leraar te worden is uiterst gering, vooral wat het voortgezet onderwijs betreft. Dit hangt ten nauwste samen met het negatieve beeld dat van deze beroepsgroep bestaat.

De leerlingen in de hoogste klassen van Havo en VWO, die voor een beroepskeuze staan, zien dagelijks de talloze problemen waarmee hun leraren worden geconfronteerd. Op grond daarvan constateren ze dat er veel aantrekkelijker beroepen zijn, met betere carrièremogelijkheden en gunstigere arbeidsvoorwaarden. Zij die alsnog een baan in het onderwijs ambiëren, kiezen voor het basisonderwijs, waaraan ze al dan niet terecht een positieve herinnering hebben. PABO's kunnen het aantal aanmeldingen zelfs nauwelijks aan.

Het toelaten van onbevoegden voor de klas versterkt echter het negatieve imago van het leraarsberoep: enige pedagogische en didactische kennis en vaardigheden hoef je kennelijk niet te hebben om leraar te zijn. Of men geschikt en in staat is om met kinderen om te gaan, wordt pas naderhand duidelijk. Vooral voor de basisschool is dit uiterst bedenkelijk. Blijkbaar wordt gedacht dat iedereen wel kan rekenen of enige kennis heeft van geschiedenis, biologie en aardrijkskunde. Maar men vergeet dat het op een verantwoorde manier aanleren van deze kennis een aparte vaardigheid is, die juist op een lerarenopleiding kan worden verworven. Een verkeerde didactische aanpak kan zelfs veel schade veroorzaken, ook in het voortgezet onderwijs. Kennis hebben van een vak en het kundig overbrengen van kennis zijn verschillende vaardigheden.

De minister meent dat met een test kan worden nagegaan of de kandidaten geschikt zijn om voor de klas te staan. Een onnozel idee. Met een test kun je hoogstens de kennis en bepaalde vaardigheden van een persoon beoordelen. Maar of iemand kan omgaan met kinderen is aldus absoluut niet vast te stellen. Dat blijkt pas tijdens de opleiding en zelfs dan is dat soms nog moeilijk! Bovendien heeft een kandidaat na die test nog geen enkele didactische vaardigheid verworven. De kreet van de Algemene Onderwijsbond, ,,Beter een onbevoegde voor de klas dan leerlingen naar huis'', kan eerder omgekeerd gelden.

Maar men krijgt – zoals minister Hermans stelt – toch gedurende (maximaal) twee jaar een bijscholing? Ook dat aspect geeft aan hoe ondoordacht dit voorstel is.

Wie voor het eerst voor de klas staat, heeft hier zijn of haar handen aan vol. Na een inspannende dag van lesgeven en andere (organisatorische) werkzaamheden moet men 's avonds de lessen voor de volgende dag voorbereiden. Waar de bevoegde leraar, die een vierjarige opleiding heeft gehad, al een volle dagtaak heeft aan het geven en het voorbereiden van de les, geldt dit des te meer voor de onbevoegde leraar. Tijd voor een grondige bijscholing is er dan ook nauwelijks. Helemaal dwaas is de gedachte dat die bijscholing tot `bevoegde' leraar maximaal in twee jaar moet plaatsvinden, waar de dagstudent een vierjarige opleiding moet volgen. Dit betekent in de praktijk dat óf de bekwaamheidseisen om de bevoegdheid te verkrijgen worden verlaagd óf dat zeer weinigen in staat zullen zijn deze bijscholing tot bevoegde leraar in twee jaar te halen. De kans bestaat vervolgens dat de animo om de opleiding voor leraar te gaan volgen verder afneemt.

Men stelle zich eens voor dat de overheid een zelfde dwaas idee zou lanceren bij de gezondheidszorg. Er is een groot tekort aan bepaalde medische specialisten, gezien de soms absurd lange wachttijden. Een ieder met een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs die enige affiniteit heeft met de gezondheidszorg, mag meteen beginnen als chirurg of oogarts, terwijl men al doende voor arts wordt `bijgeschoold'. Dit onder de leuze ,,Beter een onbevoegde chirurg aan de snijtafel dan een maandenlange wachttijd''. Nederland zou op zijn kop staan. In de medische wereld worden kwakzalvers niet meer erkend, in het onderwijs kennelijk wel.

Als de noodmaatregel van het ministerie van Onderwijs onvoldoende leraren oplevert, gaan we dan nog een stap verder? Mag je dan lesgeven ook al volg je geen bijscholing en heb je mogelijk niet eens een andere HBO/WO-opleiding gehad? Van het één komt het ander en zo glijd je onder het mom van een noodmaatregel steeds verder af. Dat blijkt al uit de reactie van de Algemene Onderwijsbond, die vindt dat in bepaalde gevallen zelfs mensen met een MBO-opleiding onbevoegd voor de klas gezet kunnen worden.

Juist omdat het beroep zo weinig aantrekkingskracht heeft wegens een negatief imago is het zeer de vraag of velen op deze wijze nu plotseling wel voor het leraarsberoep zullen kiezen. Wie een HBO/WO-opleiding heeft, heeft de keuze uit vele beroepen met aantrekkelijkere mogelijkheden.

Er vindt momenteel een discussie plaats over het instellen van een lerarenregister en het invoeren van een beroepsstandaard voor leraren ter bescherming van het beroep. Die discussie wordt lachwekkend als men tegelijkertijd onbevoegden voor de klas zet.

Een apart vraagstuk is de juridische implicatie van de noodmaatregel. Een kind is leerplichtig. Het moet volgens de wet naar school. De vraag kan nu worden gesteld of die verplichting niet impliciet inhoudt dat de overheid zorgdraagt voor kwalitatief goed onderwijs, dus voor bevoegde leraren. Het voorstel om onbevoegden te laten lesgeven, kan wel eens in strijd zijn met de essentie van de leerplicht. Indien de politiek hiertoe overgaat, hoop ik dat er ouders zijn die naar de rechter stappen met de eis dat hun leerplichtig kind les krijgt van een bevoegde leraar. Rechters hebben al meerdere malen de overheid op de vingers moeten tikken voor miserabele wetgeving.

Het voorstel roept dus vele vragen op. Het is nauwelijks doordacht. Het leidt eerder tot een verdere aantasting van het imago van het leraarsberoep. Naar school moeten gaan wegens de leerplicht en tegelijkertijd van een onbevoegde leraar les krijgen, is mogelijk juridisch onverenigbaar.

Elke maatregel die het imago van het beroep van leraar verbetert, kan zinvol zijn, zo staat er in het hoofdcommentaar van NRCHandelsblad van 14 april. Maar deze maatregel verbetert nu juist in het geheel niet dat imago.

Veel zinvoller is het initiatief van een aantal opleidingen om diverse `leerwegen' op te nemen, waardoor een student makkelijker kan switchen tussen de verschillende lerarenopleidingen: bijvoorbeeld van leraar in het basisonderwijs naar voortgezet onderwijs en omgekeerd. Ook duale leerroutes tijdens de opleiding, zeker in de laatste leerjaren, kunnen de aantrekkelijkheid vergroten om de opleiding te volgen. Studenten in het derde en vierde leerjaar kunnen onder het mentorschap van een bevoegde leraar voor de helft van de studietijd lesgeven op scholen in het basis- of voortgezet onderwijs. Deze leraar-in-opleiding (LIO), die momenteel al wordt toegepast in het laatste studiejaar van de PABO, kan op die wijze worden uitgebreid. Strikt genomen zijn dit ook onbevoegden, maar in elk geval zijn zij eerst twee jaar voorbereid op de uitoefening van het beroep. En dat is geheel in tegenstelling tot de onbevoegden van Hermans.

Douwe Jansz is secretaris van de Nederlandse Federatie Tertiair Onderwijs.