Nieuwe film Egoyan is teder en zorgvuldig

In Nederland mogen `boekverfilmingen' dan een beetje uit de mode zijn geraakt, op het 52ste Festival International du Film van Cannes blijkt het verfilmen van grote schrijvers internationaal nog steeds de mogelijkheid te leveren van eveneens grote budgets. Marcel Proust vormde de inspiratie voor Raoul Ruiz' cerebrale spelletjes in Le temps retrouvé en een van de weinige nog niet verfilmde boeken van Gabriel García Márquez, De kolonel krijgt nooit post (El coronel no tiene quien le escriba) werd door de Mexicaan Arturo Ripstein theatraal en plechtig verwerkt tot een langdradig Kammerspiel. Minder plichtmatig is de film die de Armeens-Canadese Atom Egoyan baseerde op de eigentijdse roman Felicia's Journey van de Ier William Trevor. Na het succes twee jaar geleden in Cannes van Egoyans The Sweet Hereafter (naar een boek van Russell Banks), gaat de regisseur door met het inpassen van zijn eigen stijl en thema's in door anderen aangereikte verhalen. Wel is Felicia's Journey de eerste film die Egoyan niet zelf produceerde, en misschien komt het daardoor dat het een iets minder eigenzinnig en persoonlijk project geworden is. De ontmoeting tussen een provinciaal Iers meisje, in Birmingham op zoek naar de vader van het kind dat ze verwacht, en een zachtmoedige, maar allengs meer verknipt blijkende, oudere culinaire psychopaat (Bob Hoskins) is zo teder en zorgvuldig als je van Egoyan verwachten mag. Zelfs Egoyans thema van het maken van videopnamen van geliefden als surrogaat voor echt contact (het onderwerp van Speaking Parts en Family Viewing), keert terug in deze respectabele, maar niet grootse Engels-Canadese coproductie.

Een interessant regiedebuut in het competitieprogramma maakt de in Brussel opgeleide Hongkonger Yu Lik Wai met Love Will Tear Us Apart, het portret van drie recent uit de Volksrepubliek naar Hongkong geëmigreerde Chinezen (van wie er één gespeeld wordt door Hongkong-ster Tony Leung), die zich aan de zelfkant staande proberen te houden. De kracht van de film is vooral het celebreren van de troost, die de populaire cultuur kan brengen, in de vorm van liedjes en films uit zowel de glamourwereld van Hongkong als de socialistisch-realistische vastelandcultuur. Yu, eerder cameraman van Ann Hui en van het in Berlijn 1998 bekroond Xiao Wu, betoont zich een origineel vormgever, ergens halverwege de pop art van Wong Kar-wai en de Antonioniaanse vervreemding van Tsai Ming-liang.

Wie zijn eerste film La vie de Jésus noemt, en zijn tweede L'humanité, wekt de indruk een hoog ambitieniveau na te streven. Toch spelen ironisch genoeg beide films van de Franse regissseur Bruno Dumont zich af in een gat aan het einde van de wereld, het aan de Belgische grens gelegen Bailleul. Er zijn meer overeenkomsten: een gruwelijke verkrachting of moord, een ondanks geringe fysieke aantrekkelijkheid fatale vrouw die de hoofdpersoon verleidt en een kale, de naakte waarheid suggererende ambiance. Dumonts met grote verwachtingen omgeven tweede film betoont moed door gedurende twee en een half uur min of meer dezelfde weinig tot de verbeelding sprekende alledaagse situaties en personages op te voeren, in al hun onhandigheid en provincialisme, maar schiet tekort door die sobere filmstijl niet de benodigde filmische allure mee te geven, vooral door de onvolkomenheid van de niet-professionele acteurs. Bij de persvoorstelling in Cannes reageerde het publiek lacherig, en dat kan niet de bedoeling zijn geweest. Ook de nogal confronterende close-ups van vrouwelijke geslachtsdelen en de suggestie dat seks de essentie van de menselijke conditie vormt, leiden eerder tot schouderophalen dan tot herkenning.