Kabinetsplan voor correctief referendum

De Eerste Kamer stemt vandaag over het zogenoemde correctief referendum. Hieronder enkele hoofdpunten uit het kabinetsplan, alsmede de essentie van de kritiek van de vijf dissidente VVD'ers.

Burgers krijgen na publicatie van een aangenomen wetsvoorstel drie weken de tijd om een verzoek tot het houden van een referendum in te dienen. Voor dit `inleidend verzoek' zijn de handtekeningen van 40.000 kiesgerechtigden nodig. Lukt dit, dan begint de tweede fase. Daarin moeten binnen zes weken de handtekeningen van 600.000 kiezers worden verzameld.

Een wetsvoorstel kan worden verworpen met een gewone meerderheid, maar deze meerderheid moet dan wel bestaan uit minimaal dertig procent van de kiesgerechtigden. Dit betekent in de praktijk dat zo'n 3,5 miljoen kiezers tegen een wetsvoorstel moeten stemmen. Overigens moet de preciese werking van het correctief referendum nog worden bekrachtigd in uitvoeringswetgeving. Dat geldt ook voor de werking van het referendum in provincies en gemeenten.

De vijf VVD-senatoren die dreigen tegen te stemmen, hebben bezwaar tegen het correctief wetgevingsreferendum, waarmee burgers aangenomen wetgeving kunnen tegenhouden. Ze menen dat het niet past binnen het Nederlandse staatsbestel van representatieve vertegenwoordiging. Ook hebben ze praktische bezwaren. Ze vinden dat kwesties van ruimtelijke ordening op gemeentelijk en provinciaal niveau (bestemmings- en streekplannen), waarvoor al inspraakprocedures hebben gegolden, `niet referendabel' moeten zijn. Hetzelfde geldt voor internationale verdragen.