Joodse tegoeden

Gereageerd zij op uw bericht (NRC Handelsblad, 10 mei), onder de titel `Banken braken in oorlog kluizen van joden open'. Aan de hand van herinneringen kan het volgende worden gereconstrueerd.

Terstond toen de Duitse inval op 10 mei 1940 begon liet generaal Winkelman, toen ook bekleed met de wetgevende macht, een verordening via de radio afkondigen: bankkluizen werden geblokkeerd. Goudvoorraden werden geconfisqueerd. Na de capitulatie op 14 mei 1940 volgde een Duits bevel van gelijke strekking. Kluishouders werden op hun beurt opgeroepen om bij de opening hunner kluizen aanwezig te zijn. Bij afwezigheid zouden de kluizen op kosten der houders worden opengebroken. Buitenlandse effecten en goud werden gevorderd. Men kreeg een tegoedbon om de tegenwaarde in guldens, die snel hun waarde zouden verliezen, te ontvangen. De waarde werd bepaald naar de koers van 9 mei 1940. De banken handelden onder druk krachtens verordeningen van de Duitse bezettende macht die, naar de leer van de Hoge Raad, destijds kracht van wet hadden. Gaat het rechtens aan om banken of rechtsopvolgsters dier toenmalige banken daarvoor na 59 jaar nog aansprakelijk te stellen?

Effecten en goudstaven welke buiten bankkluizen waren bewaard, dienden krachtens de deviezenverordening voor 1 november 1940 aan De Nederlandsche Bank ter overneming te worden aangeboden. Wie daar niet aan voldeed, en niet werd opgespoord en gestraft, maakte na de oorlog wegens de waardestijgingen fortuin.

Het opschrift boven het artikel is dus wel juist doch beperkt. Alle houders van bankkluizen werden beroofd. De op joodse vermogens gerichte roofmaatregelen volgden pas geruime tijd daarna.