Borduur uw eigen Picasso

Onlangs beschreef Gerda Telgenhof in deze krant de uit de hand gelopen merchandising bij de Picasso-tentoonstelling in de Rotterdamse Kunsthal. Een warenhuis gevuld met Picasso-producten: van Picasso-muziek (!) tot en met Picasso-theeserviezen, die met de bekende gekleurde bloemetjes een fris-moderne variant vormen op het Hollands boerenbont. Ik kon de verleiding van een Picasso-gummetje met datzelfde boeketje niet weerstaan. Bizar was het idee dat men een Guernica-T-shirt zou willen dragen. Ook de Guernica-koffiebeker heb ik aan me voorbij laten gaan.

Bij velen zullen de Picasso-vloerkleden reminiscenties hebben opgeroepen aan de `Picasso'-gordijnen van de jaren vijftig: stofjes met abstracte felgekleurde prints. Ik had bij al deze producten nog een andere associatie: het communistisch jaren-vijftiggezin.

Onder communisten was PCF-lid Picasso geliefd. Niet alleen om de Guernica, maar ook om zijn activisme gedurende de Koude Oorlog, toen hij demonstratief landen `achter het IJzeren Gordijn' bezocht en Bloedbad in Korea schilderde. Want al waarschuwde de toenmalige Parool-recensent J.M. Prange – nu berucht, toen gezaghebbend – juist tegen Picasso's kubisme als een door Moskou opgezet communistisch complot om de Westerse geestkracht te ondermijnen, in feite hielden de verburgerlijkte Nederlandse communisten vooral van het figuratieve werk van kameraad Pablo. Velen hadden Sancho Panza aan de muur, nadat die door de posterhandel van (ex-)partijgenoot Engel Verkerke tot massaproduct was gemaakt. Picasso's getekende portret van het ter dood veroordeelde echtpaar Rosenberg sierde in 1953 tal van communistische publicaties. En in de fameuze vredesduif, propagandasymbool van een communistisch vredescongres in Parijs, 1949, vond de CPN-vrouwenorganisatie NVB bij een viering van `Internationale Vrouwendag' begin jaren vijftig een dankbaar ontwerp voor revolutionaire huisvlijt. Toegepaste kunst en volksopvoeding ineen. En een comfortabele oplossing bovendien voor het eeuwige dilemma van de communistische vrouwenbeweging: hoe men tegelijk `vrouwelijk' èn strijdbaar kon zijn.

In het maartnummer van 1952 trof de lezeres van het NVB-maandblad Vrouwen voor vrede en opbouw naast een compleet alfabet in borduurpatroon, een naar Picasso gestileerde vredesduif aan. Met de letters kon men `leuzen vormen'. Lezeressen zouden, veronderstelde de redactie, `ook in hun kleding, in een doekje, in een shawltje iets willen weergeven van de stemming die hun op vrouwendag bezielt'. De duif moest men `overtrekken op een stukje witte stof en vervolgens uitknippen en vasthechten op een shawltje of doekje', of anders `direct op het shawltje' borduren.

De duif was bepaald een overzichtelijker karwei dan het borduren van de `leuzen', nog afgezien van de onwaarschijnlijke omvang die een kledingstuk moest hebben wilde men er de ook in ander opzicht weinig bescheiden acht-maartleuze van dat jaar op kwijt kunnen: Voor de vrede, voor het geluk der mensheid.

Internationale Vrouwendag in het jaar hierna, 1953, werd `overschaduwd door verdriet' om de dood, drie dagen eerder, van de `geliefde leider en leraar': Stalin. Een kruissteekpatroon van Picasso's Stalinportret van toen heb ik in Vrede en Opbouw niet gevonden.