Boekhouden blijft bij rekenen

Op het VWO bogen 11.862 leerlingen zich gisteren over het examen Economie II en Recht. Het bleek uit saaie, taaie sommen te bestaan, zelfs voor economen.

Hoe zou het met de wereld zijn afgelopen als het boekhouden niet was uitgevonden? Waar boekhouders ophouden beginnen de directeuren, de loononderhandelaren, de fusie- en overnamemakelaars, de marketingmanagers en de groeiende schare particuliere beleggers.

Wie kent de vooroordelen niet. Boekhouden is saai, boekhouders zijn saai en wat de accountantskantoren ook verspijkeren aan hun naam, logo en reclamecampagnes, echt swingende bedrijven worden zij nooit.

Volgens de overlevering begon economiehoogleraar A. Heertje zijn colleges aan de nieuwste lichting studenten steevast met het zetten van een schier eindeloze rij V-tjes op het schoolbord. Er zijn twee soorten economie, zei hij dan. De ene is het afvinken van balansposten en de cijfers van een winst- en verliesrekening, daarover hoort u van mij verder niets. Hij doceerde de economie van vraag en aanbod, van prijsvorming op markten, van (het ontbreken van) concurrentie, van belastingheffing en van overheidstekorten (of -overschotten). Dat is de echte economie.

Alsof creatief boekhouden ook geen echte economie is.

Drie uur de tijd hadden de VWO-examenkandidaten voor veertig vragen Economie II en Recht. Als geoefend lezer van jaarverslagen van banken en bedrijven, maar econoom uit de school van Heertje, leek mij dat geen makkie. Ik vreesde de onvermijdelijke sommetjes, maar een voldoende moest, speculerend op voldoende inzichtvragen, natuurlijk wel haalbaar zijn. Ook boekhouders moeten immers weten waarom de ene waarderingsmethode wel deugt voor hun doel (winst drukken of juist opvoeren) en de ander niet.

Ik loop door de vijf opgaven heen en vink in gedachten de kansrijke vragen af. Mijn parate boekhoudkundige kennis blijkt belabberd. De wondere wereld der waarderingsmethodes blijkt geschakeerder dan ik dacht. Zonder veel inzichtvragen steven ik af op een cijfer twee, schat ik.

Zelf grootboekrekeningen en journaalposten opstellen?

De vraag over de samengestelde rente (8 procent per jaar) die kleindochter Cobi krijgt op de storting (250 gulden) van opa en oma Leijten kan ik nog wel aan. In de beste tradities van Hollandse spaarzin krijgt de opgroeiende Coby vijftien jaar lang ook nog 25 gulden (per jaar) en dan nog acht jaar 50 gulden. Het eindkapitaal graag. Nederland is voor examinatoren nog steeds een land van spaarders, niet van beleggers. Maar ja, waar krijg je nu nog acht procent voor meer dan 20 jaar vast?

De handelsonderneming Kleinenberg importeert `Jolly Jim' home-video's uit China en schakelt op een ander waarderingsysteem over voor het vaststellen van de waarde van de voorraden. Van een flexibele prijs die gekoppeld is aan de inkoopprijs van de oudste voorraden worden alle Jolly Jims vanaf 1 januari gewaardeerd tegen een vaste prijs. Wat zijn de nadelen van het oude voorraadsysteem en hoe ziet de waardestijging van de voorraad eruit bij de nieuwe methode?

Moet examenstof zo saai en mechanisch zijn voordat het spannend wordt, om het woord leuk nog maar niet in de mond te nemen? Moet je eerst jaartallen stampen, eindeloos vreemde woorden leren en sommetjes maken voordat de echte wereld opengaat? De vraag over bijvoorbeeld de Jolly-Jimvoorraden kan nog wel een stapje verder. Welke methode leidt tot de hoogste winst? Hebben directeuren bij de keuze tussen de methodes ook een eigen belang, doordat zij lucratieve aandelenopties hebben? Hoe verhoudt zich dat tot andere belangen, zoals die van werknemers? Ook achter boekhoudkundige sommetjes moet de echte economie zichtbaar worden.