Blankert: veel manco's industrie

De Nederlandse industrie bevindt zich allesbehalve in een ,,veilige'' positie. Er is een tekort aan bedrijventerreinen, aan hooggeschoold personeel in de techniek en informatie-technologie. Ook stagneert de ontwikkeling van de infrastructuur.Dat stelde H. Blankert, voorzitter van werkgeversorganisatie VNO-NCW, vanmorgen bij de presentatie van de industrienota `Een sterke en gezonde industrie'.

De Nederlandse economie moet het voor zijn toekomst vooral van meer kennis en innovatie hebben. De politiek lijkt zich volgens Blankert echter meer druk te maken over ,,de onderkant dan over de bovenkant van de economie''. Hoewel de positie van de Nederlandse industrie volgens Blankert op dit moment nog betrekkelijk goed is, is er geen reden deze als `veilig' op te vatten. Nederlandse industriebedrijven lopen volgens de werkgeversvoorzitter in eigen land tegen tal van knelpunten aan.

Ook internationaal wordt de industriepositie van Nederland volgens Blankert bedreigd. De wet van de remmende voorsprong dreigt de voorloperspositie van Nederland aan te tasten. De invoering van loonkostenmatiging, winstherstel en flexibilisering beginnen ook in de ons omringende landen terrein te winnen.

Ook het technologie- en kennisbeleid in andere landen staat niet stil. De intensievere concurrentie met zowel de Europese Unie – door de invoering van de euro – als uit Amerikaanse en Zuid-Oost Aziatische hoek baart Blankert zorgen.

Om de nu nog gunstige internationale positie van Nederland te behouden moet de Nederlandse overheid op al deze punten actie ondernemen, meent Blankert. In plaats van te korten op de technologiesubsidies en slechts te kijken naar de onderkant van de arbeidsmarkt zou er juist meer geld vrijgemaakt moeten worden voor scholing, technologie- en wetenschapsbeleid en bedrijfsterreinen. Ook moet het Nederlandse milieubeleid niet uit de pas lopen met internationale regels, omdat Nederland anders haar `licence to operate', verliest.

Voor Economische Zaken ligt er derhalve ,,een krachtige interventietaak'', omdat dat dat ministerie een overkoepelende rol kan spelen bij het opstellen van regels omtrent milieu, scholing en infrastructuur voor het bedrijfsleven.

Hoewel het aandeel van de industrie de afgelopen jaren is afgenomen, stelt Blankert dat ,,wat er in de industrie speelt in de regel een goede weerspiegeling dan wel voorbode is van wat ook elders speelt of kan gaan spelen''. De totale toegevoegde waarde van de industrie in de marktsector bedraagt 30 procent. Direct levert de industrie een aandeel van twintig procent in de werkgelegenheid, indirect nog eenzelfde percentage.