Arme kinderen hadden geen jeugd

Het idee dat kinderen een zalige kindertijd moesten hebben is in de negentiende eeuw spoedig gemeengoed geworden. Een van de sterkste aanwijzingen daarvoor is de schaamte die in die tijd werd uitgesproken over de ellende van arme kinderen, kinderen die zeker niet van een onbezorgde jeugd genoten.

Er waren zoveel kinderen die uitgebuit werden in werkplaatsen en die in overvolle behuizingen bijna geen leven hadden. Terwijl de burgerlijke kinderen eenmaal volwassen geworden allerlei leuke dingen over hun jeugd te vertellen hadden, was het voor de arbeiderskinderen een grauwe tijd van gebrek en ongerief.

Wat voor jeugdherinneringen zijn er van hen over die in zulke ongunstige omstandigheden opgegroeid zijn? Hier is een probleem: verreweg de meeste van die arme kinderen kwamen nooit toe aan schrijven – als ze het al hadden geleerd.

Het leven van Jan Goos (1877-1950) in een vissersgezin in Enkhuizen was sober. Dat zagen de ambtenaren die probeerden belasting te innen, meteen in. ,,Op een keer zaten we te eten en daar kwamen de commiezen binnen. (...) Daar zagen ze een grote schaar aan tafel, en ook nog een partij op de grond, met het bord op schoot. `Benne al die kinderen van U?' `Ja, van wie anders?' zei vader. `Goeie hemel!' Ze gingen rechtsomkeert. `We komen later nog wel eens terug.' Ze hadden al eens eerder gezegd: `Als je niet betaalt, krijg je een soldaat in huis.' Waarop moeder zei: `Die man krijgt niks minder als mijn eigen kinderen en je kan 'm gerust sturen. Me goeie man, of ik nu voor achttien kook of voor zeventien, dat is me net eender'.''

Jan Goos zat er niet mee. ,,Als vader er was dan sliepen wij onder in een kast. Daar konden wij met ons zessen in slapen: drie eerste rang en drie tweede rang. En drie in de keuken. Alles ging best!''

Wat voor ruimte er voor kinderleven overbleef, is moeilijk voor te stellen. ,,Als het winter was en wij aan 't vissen waren, dan zag je iedere week de was van moeder kruislings door de kamer hangen. Bovendien nog aan elke kant van de kachel twee bossen netten met een omvang van twee meter. Daar zwierven wij dan met ons vijftienen (later zeventienen) onderdoor.''

Als visser was vader vaak niet thuis en dus handhaafde moeder de discipline. ,,Ik zie vader nog staan, met zijn bruine stenen melkkan vol verse haring in de hand. Moeder vertelde hem wat er gebeurd was. Vader draaide zich om en keek mij met een paar grote ogen aan. Ik dacht: `Och heer, zou ik nu wéér slaag krijgen?' Maar gelukkig zei moeder direct: `Sla hem maar niet, want zijn kont is al blauw!' ''

Van de waarde van geld werden kinderen zich al vroeg bewust. Jan Goos had geld verdiend met netten boeten, maar kreeg van zijn moeder ontwijkende antwoorden waar het gebleven was. Na lang doorvragen biechtte zijn moeder op dat ze er eten voor gekocht had. ,,Ik zag dat moeder de punt van haar boezel nam en haar ogen afveegde.''

Dat er eten voor gekocht was vond hij niet erg – het kunnen bijdragen aan het gezin was juist de trots van dit soort jongens. Zonder dat moeder het wist had hij bij een boer gewerkt. ,,Toen ik op huis aan. `Jongen, waar zat je toch.' `Bij de boer, moeder, en zijn paard. Alsjeblieft, zeven stuivers.' `Nou dan heb jij je brood wel verdiend. Hier, een plakje meer.' `Heeft U nog geen warm eten?' `Nee, kind, vader kan zeker niks sturen. Het is ook niet veel weer elke dag. Maar moeder zal van deze centen morgen toch een warme pot maken. Dan krijg jij aardappelen met kool!' Goeie moeder.''

Er bestond nog geen leerplicht, niet tot verdriet van Jan Goos. ,,Ik vond dat schoollopen toch vervelend. Ik wilde vragen, of ik er niet af mocht. Dan kon ik steeds wat voor mijn moeder verdienen. Ik besprak het eerst met moeder. Die ried het af.'' Maar de jongen hield vol. ,,Ik dacht, ik ben nu eind september negen jaar en dan wil je wel wat verdienen. Ik kon toch met die meesters niet opschieten. Het viel steeds weer op, dat de meisjes geen kwaad bij hen konden doen. Het was altijd aaien en snollen, en wij maar schoolblijven.''

Rond zijn tiende ging hij inderdaad van school af, al kostte het enige strijd om te mogen varen. Het geld dat hij thuisbracht, dat telde. Maar toen hij succes met het vissen had, leverde dat ook weer problemen op. ,,Toen ik het geld aan moeder gaf zei die: `Zo! Ik krijg van jou nog meer dan van vader.' Laat ik nu 's avonds, toen vader thuis kwam, zo tegen hem zeggen: `Nou vader, U verdient toch ook niet veel!' `Hoe dat zo, zeun?' `Wel ik hoor zo, dat ik meer overgeef dan U.' Vader gaat naar achter en praat er met moeder over. Hij werd zo kwaad om wat ik gezegd had, dat hij op me afkwam met: `Jij snotneus! Nou dat je begint te verdienen meteen je vaar maar uitmaken dat hij niks inbrengt!' Hij sloeg me de gang in, door al die klompenboel heen. Nee maar, dacht ik, waar moet ik heen vluchten? Ik gooide de trapdeur open en vloog naar boven, zo gauw als ik kon. `Kom er nou eens vanaf als je het hart hebt!' ''

Deze tevreden registratie van een gewelddadig generatieconflict doet weldadig aan naast de broeierige haat van de burgerjongens uit dezelfde tijd. Goos glorieerde door zijn betere inzicht in de visvangst. Hij had door hoe er met betere netten gevist kon worden. Maar zijn moeder vermaant hem daar niet te veel over te praten. Goos pruttelt tegen: ,,`Het komt toch ook door mijn aanraden, dat hij polkanetten liet maken.' `Dat weet ik wel. Maar ik zeg nogmaals: laat vader dat nou niet horen.' ''

Jan Goos viste nog lang en werd later schipper op de toeristische vaart toen de Zuiderzee het IJsselmeer was geworden.

Jan Goos, Visserman van Enkhuizen. Ed. K. Boonenburg. Uitgeverij Van Kampen, Amsterdam, 1961.