Topsport

Ongeveer twee miljard mensen volgen het wereldkampioenschap cricket op de televisie en ik ben een van hen. Martijn Lindenberg, de chef van Studio Sport, slaat in mijn ogen de plank behoorlijk mis met zijn bewering dat cricket geen echte topsport is. Gelukkig covert de BBC de belangrijkste wedstrijden met talrijke camera's, zodat de liefhebbers in Nederland tot 20 juni, de dag van de finale, op rozen zitten. Van het dynamische spel met bat en bal hoeft hen weinig te ontgaan.

Engeland organiseert het toernooi waaraan twaalf landen deelnemen en heeft in een gulle bui één wedstrijd aan Nederland uitbesteed. Op woensdag 26 mei staan Zuid-Afrika en Kenia in Amstelveen tegenover elkaar. Zuid-Afrika, dat inmiddels het geduchte India heeft verslagen, wordt bekwaam genoeg geacht om de wereldtitel van Sri Lanka over te nemen. Maar Australië, Pakistan en Engeland zitten op het vinkentouw.

De Britten laten in Amstelveen niets aan het toeval over. Het graswicket wordt er al wekenlang door een eigen specialist vertroeteld opdat zowel de bowlers als de batsmen geen reden tot klagen zullen hebben. De BBC zendt de hele wedstrijd (in de poule van Engeland) uit hetgeen de ware fan toch wel voor een dilemma plaatst. Thuis aan de buis ziet hij elke actie van betekenis uit alle hoeken en standen tot zich komen, in het VRA-stadion daarentegen gaan de essentiële momenten razendsnel aan hem of haar voorbij. Maar de sfeer proeven is ook wat waard.

Om de een of andere reden is het moeilijk sympathie op te brengen voor het Engelse team dat met een klinkende overwinning op Sri Lanka is begonnen. Het moet de arrogantie van de macht zijn die ons een beetje tegenstaat en bijna automatisch partij doet kiezen voor de tegenstander. Of die nu uit West-Indies komt of uit Zimbabwe. Een wereldkampioenschap van de Engelsen zou, hoe dan ook, niet ons mooiste cadeau voor vaderdag zijn die toevalligerwijs op de finaledag wordt gevierd.

Een bron van ergernis was tot voor kort het gortdroge, chauvinistische commentaar waarmee de aanvoerder van het Engelse team, Michael Atherton, een wedstrijd afdeed. Zijn opvolger Alec Stewart heeft minder grote oogkleppen op, maar is ook representatief voor het `wij zijn de besten'-gevoel dat de topcricketers van dit land uitstralen. Een nederlaag wordt door hen als een ongelukkig incident beschouwd dat aan de feitelijke superioriteit van het team niet of nauwelijks afbreuk kan doen.

Het respect voor elkaar, waarop voorzitter Van Ierschot van de Nederlandse cricketbond onlangs in deze krant de nadruk legde, is zeker in het profcricket aan slijtage onderhevig. De spelers trappen, zoals Van Ierschot vaststelt, geen tegenstanders onder de zoden, maar doen het soms wel met woorden. Scherp als een scheermes was onlangs in The Times de aanval van de magistrale Australische spinbowler Shane Warne op aanvoerder Ranatunga van Sri Lanka. ,,Die man heeft een slechte invloed op z'n ploeggenoten'', oordeelde Warne. ,,Hij is zwak in het veld en maakt als batsman ook minder klaar dan in 1996 toen zijn team de wereldtitel won.''

De reactie van Ranatunga mocht er eveneens wezen. De captain, die in afwachting van een schorsing is omdat hij afgelopen winter in Australië zijn team van het veld haalde na een in zijn ogen onaanvaardbare beslissing van de scheidsrechter, zei: ,,Sri Lanka heeft een cultuur van 2500 jaar, dat kun je van het land dat Shane Warne vertegenwoordigt helaas onmogelijk beweren.''

De ethiek van de sport komt in de verdrukking, klaagt de oude garde. Op de tweede dag van het WK droegen de Zuid-Afrikanen daaraan hun steentje bij. Aanvoerder Hansie Cronje en bowler Donald werden tegen India met oordopjes het veld ingestuurd waardoor zij vanaf de kant door coach Bob Woolmer konden worden geïnstrueerd. De regels verbieden het niet, maar het is tegen de geest van het spel. Althans volgens al degenen die het cricket als een buitenaardse schat willen blijven koesteren.