Panjim-Jazz

Jazzfestivals worden op de meest onwaarschijnlijke plekken gehouden, in Perth en in Scheveningen, dus waarom niet in Panjim? Akkoord, Panjim is een stadje van niks, droog en dor, zonder weelderige parken of imposante gebouwen en niet één monument dat herinnert aan het feit dat Vasco da Gama hier voet aan wal zette, vijfhonderd jaar geleden, en het Westen zo met het Oosten verbond. Er zijn wel opvallend veel kerken, Panjim is de hoofdstad van het katholieke Goa, de kleinste Indiase deelstaat, ten zuiden van Bombay, maar men doet er zo gemoedelijk over dat het nauwelijks indruk maakt. Mijn gids Lucas bijvoorbeeld heeft een klein altaartje op het dashboard van zijn auto met lichtjes die de heilige maagd Maria aan en uit doen flitsen, en op zijn rechterarm een tatoeage van Shiva, because God is one, zoals hij zegt.

Maar in Panjim is een jaarlijks jazzfestival, en met enige fantasie zou je kunnen zeggen dat Vasco da Gama daarmee voldoende wordt herdacht. Want is jazz niet van de hele wereld, is jazz niet bij uitstek een fusie van ritmes, melodielijnen, denkbeelden en achtergronden? Is jazz niet het enige wettige kindje van westers imperialisme en slavernij?

Toch is het merkwaardig om in het openlucht-auditorium van Panjims kunstacademie een spannende bewerking te horen van Billy Joëls `Just the way you are'. Gezongen door een Indiër, Don Saigal geheten, en toegejuicht door tweeduizend Indiërs die gekleed zijn in T-shirt en spijkerbroek en gemiddeld twintig jaar jonger zijn dan ik. Hij swingt en danst en is zo funky, met zijn afgekapte mouwtjes en zijn gladde schoenen, dat ik tegelijk bewondering heb en teleurgesteld ben.

De teleurstelling moet ik uitleggen. Deze Don Saigal is een representant van wat we de laatste tien, twintig jaar `globalisering' noemen, een term die altijd een zorgelijke ondertoon heeft. De zorg komt vooral voor bij reizigers die bang zijn het pittoreske en exotische van de andere wereld te zullen missen.

Toeristen heten ze, een soort mensen dat net zo nieuw is als, zeg maar, asielzoekers, met dit verschil dat de ene categorie naar huis terug wil en de andere niet.

Toeristen hebben per definitie iets hypocriets: aan de ene kant vinden ze het prettig om overal in de wereld hetzelfde aan te treffen, ontbijt met eieren en wc-papier, aan de andere kant vinden ze het hinderlijk dat de plaatselijke muzikanten ineens `Just the way you are' van Billy Joël gaan zingen. Hebben ze daarvoor negenduizend kilometer afgelegd?

Laat ik het genuanceerder zeggen: MTV ziet er in India heel anders uit dan in Europa. De presentatoren zijn Indiërs en de muziek is Indiaas. Maar op de een of ander manier doet het allemaal verschrikkelijk westers aan, met de nadruk op verschrikkelijk. De clips lijken op die van Madonna, de danspasjes op die van Michael Jackson. Dat komt, legt Lucas uit, doordat MTV alleen het beste van de Indiase muziek uitzendt. Het beste is dus westers en dit kwaliteitsbegrip is een manier om India te disciplineren. Alleen wat westers lijkt heeft kwaliteit, wat de Indiase muzikanten dwingt tot imitatie: of je aapt na en wordt beroemd, of je blijft jezelf en wordt door MTV genegeerd.

Dit negeren heeft een eigenaardig bijeffect. Overal waar de gelijkmakende MTV-wals overheen gaat ontstaan kleine ghetto's van degenen die genegeerd zijn. Regionale zenders met sneeuwige beelden, amateuristische cameravoeringen en reclameboodschappen van de lokale kruideniers, maar daar zijn ze juist trots op. Als je in India aan het zappen bent kom je eerst langs tientallen kanalen met artiesten die goudkartonnen sieraden en kronen op hebben en plechtig de teksten van de Mahabharata reciteren, voordat je belandt bij MTV met zijn internationale allure en interessante versies van Billy Joëls `Just the way you are'. Maar de kartonnen helden van de regio winnen langzaam veld, omdat ze een duidelijkere missie hebben dan de Billy Joël-klonen: ze vechten vóór eigenheid en identiteit en tegen verdrukking en MTV-imperialisme. Doorgeredeneerd leidt het tot een fanatisme waar we vandaag de dag een gruwelijke hekel aan hebben: Kosovo is het schrikbeeld, met etnische zuiveringen, bombardementen en verkrachtingen.

En toch, toch presteer ik het tegen Lucas en de kleine groep jongeren die om ons heen staat te zeggen dat ik Hindi-filmmuziek uiteindelijk leuker vind dan Don Saigals `Just the way you are'. Een afgrijzen die dat oplevert! Een afschuw!

Hindi-muziek? Dat achterlijke, provinciaalse geleuter met goudkartonnen kronen en sieraden? Shame on you, roept een meisje van amper achttien, mensen die zoiets beweren hebben hoegenaamd geen verstand van muziek. Ik vraag haar wat zij goede muziek vindt en ze zegt zonder blikken of blozen: Tom Jones. `Green green grass of home', `It's not unusual to be loved by anyone'.

Wat mij verwart is niet de voorliefde voor Tom Jones of Billy Joël, maar de heftigheid waarmee deze T-shirt-jeans-and-nikes klasse zich afzet tegen al die chauvinistische Mahabharata-acteurs op de regionale zenders. East is east and west is west and never the twain shall meet, zegt het beroemde cliché en er was een tijd waarin dat raciaal kon worden geïnterpreteerd. Nu niet meer. Oost en West lopen dwars door huidskleur en afkomst en hier in Panjim waar ik mij beter thuis voel bij de bezoekers van het jazzfestival, merk ik dat ik weinig meer ben dan een toerist. Ik ben minstens zo hypocriet: aan de ene kant wil ik mijn eitjes-ontbijt en wc-papier, aan de andere kant wil ik dat ze geen `Just the way you are' zingen. Ik lijk op de bezoekers van het jazzfestival, ze denken dat ik een gelijkgestemde broeder ben. Maar o wat voel ik mij een buitenstaander.