ING had in '94 al te groot deel NIB, breder onderzoek

De Nederlandsche Bank gaat haar onderzoek uitbreiden naar mogelijke overtreding door ING van de maximale belegging in aandelen van de Nationale Investeringsbank (NIB).

Minister Zalm van Financiën meldde het onderzoek vorige week in een brief aan de Tweede Kamer, nadat was gebleken dat ING 21,6 procent van de aandelen van de NIB bezit, terwijl de bank en verzekeraar toestemming heeft van Financiën voor een belegging van maximaal 20 procent.

Naar nu blijkt heeft ING al eerder, in 1996, de toegestane limiet overschreden. In haar jaarverslag over 1996 meldt de NIB zelf dat ING 20,1 procent van de aandelen bezit. Deze informatie is opgenomen in een overzicht van de grootaandeelhouders en is afkomstig van de betrokken financiële partijen zelf. In het onderzoek naar een mogelijke overtreding door ING zal ook deze overschrijding worden meegenomen, zo zei vanochtend desgevraagd een woordvoerder van de centrale bank.

ING heeft op 21 maart 1994 toestemming gekregen van het ministerie van Financiën voor een aandelenbelang van maximaal 20 procent in de NIB, waaraan ING verder geen stemrecht kon ontlenen. Tijdens de overnamestrijd om de NIB deed ING in maart tevergeefs een poging toch stemrecht te krijgen.

ING verzette zich twee maal tegen de hoogte van het bod van de pensioenfondsen ABP (overheid en onderwijs) en PGGM (zorg en welzijn) op de NIB, maar ging vorige week overstag toen de pensioenfondsen 72,50 per gewoon aandeel boden.

Een geconstateerde overtreding van het toegestane maximum van een belegging door een bank is geen halsmisdrijf. Over het algemeen moet een bank het beleggingsdeel waarvoor geen toestemming bestond weer afstoten. De regels en de toepassing daarvan kenmerken zich door grote flexibiliteit.