Geloven hoeft het einde niet te zijn

Aan lezers die geïnteresseerd zijn in actuele debatten, bijvoorbeeld over de vraag of literatoren zich moeten uiten over de oorlog van de NAVO tegen Milosevic, lijkt het Vlaamse tweemaandelijks cultureel tijdschrift Ons Erfdeel me niet besteed. Verbazingwekkend vind ik het dat een redactie erin slaagt een nummer van ruim 150 pagina's samen te stellen waarin de crisis op de Balkan zelfs niet wordt genoemd.

Toch is het tijdschrift niet geheel van actualiteit gespeend, want aan de deze maand twintig jaar geleden overleden Louis Paul Boon (in Vlaanderen grootscheeps herdacht met tentoonstellingen en manifestaties), is wel degelijk aandacht geschonken. Niet opvallend, in de vorm van een themanummer of zelfs maar een rijk geïllustreerd openingsstuk, maar wel in een gedegen overzichtsartikel van literatuurwetenschapper Kris Humbeeck. `Vlaanderens meest levende dode schrijver', heet deze bijdrage die begint met een mooi verslag van Boons begrafenis. `We schrijven Aalst, dinsdag 15 mei 1979, het is precies drie uur en even lijkt de grauwe fabrieksstad Jerusalem wel. Ziet! Zeven engelachtige meisjes verbreken de zegels van Boontjes levensboek, de voorhang van het plaatselijke volkshuis scheurt open en iemand roept: `Hij is waarlijk het sociale geweten van Vlaanderen!' Dan worden door de staalblauwe lucht zeven bazuinen gestoken, waaruit een wat schelle versie van de Internationale klinkt.' Na een grondige analyse van Boons literaire betekenis, spreekt Humbeeck de hoop uit dat de schrijver van De Kapellekensbaan in dit herdenkingsjaar niet als `tedere anarchist' (naar een woord van Hubert Lampo) in de collectieve herinnering zal worden bijgezet, maar dat hij radicaal zal worden herdacht. `De tijden lijken daar immers rijp voor', zegt hij. `Bijna twintig jaar na zijn dood is Boons nihilistische cultuurkritiek meer dan ooit actueel. De trillingen die de literaire seismograaf heeft geregistreerd, zijn aangezwollen tot kleine schokgolven die onze wereld dooreenschudden. De desintegratie van de burgerlijke samenleving, het kwaadaardig woekerende cynisme en de crisis van overgeërfde waarden, de technologische hybris en de als modern fatum ontmaskerde idee van de vooruitgang, de neergang van het socialisme..., wie zou durven ontkennen dat Boon een schrijver van en voor de ontwrichte tijd is?'

Ik vraag me af wat de `doelgroep' is van een tijdschrift als Ons Erfdeel en ik vermoed dat die voornamelijk uit docenten Nederlands bestaat. De uitgebreide van voetnoten voorziene en meestal tijdloze artikelen over de oeuvres van willekeurige schrijvers kunnen uitstekend dienen als lesmateriaal. Tijdloos en willekeurig is in dit nieuwste nummer van Ons Erfdeel het openingstuk over de poezie van Charles Ducal, van wie in 1998 bij Atlas de bundel Naar de aarde verscheen. Even `toevallig' is de mooie bijdrage van Bart Vervaeck over het recente werk van Willem Jan Otten onder de titel `Tragedie of apocalyps'. Vervaeck signaleert naar aanleiding van Ottens nieuwste bundel Eindaugustuswind `een groeiend geloof en een toenemende religiositeit' bij de dichter. Hij vindt dat niet per definitie een negatieve ontwikkeling. `Zelfs al zou Otten het geloof omarmen, dan hoeft dat, in tegenstelling tot wat Battus en Kousbroek in hun kritieken suggereerden, niet automatisch het einde van een schrijver te zijn.'

Mooi om te lezen en handig om te bewaren vind ik altijd de Ons Erfdeel- rubriek van emeritus hoogleraar Nederlandse letterkunde A.L. Sötemann `Dichters die nog maar namen lijken', deze keer gewijd aan Victor van Vriesland. Sötemann omschrijft hem als iemand `met een joyeus gehanteerde belezenheid-zonder-weerga'. Op een avond hoorde hij hem tegen J.C. Bloem zeggen: `Na onze dood zal niemand meer weten wat er geschreven is'.

Victor van Vriesland speelt ook een klein rolletje in een beschouwing van voormalig staatssecretaris van cultuur Aad Nuis over de schitterende uitgave `G. Walschap, Brieven. Deel 1921-1950', vorig jaar verschenen bij Nijgh & Van Ditmar. Terecht merkt Nuis op dat dit boek `meeslepende literatuur' is, onder andere wegens de opmerkingen van Walschap over Nederlanders. Toen Victor van Vriesland na de oorlog zijn vriendschap met Walschap verbrak omdat deze had doorgewerkt als inspecteur der openbare bibliotheken, een houding die hem ook door andere Nederlanders niet in dank werd afgenomen, schreef hij aan een Vlaamse kennis: `Ik vind de Hollanders formidabel. In 1914 werden wij gemarteld en zij waren in meerderheid Duitsgezind. Nu hebben zij in '40-'45 een beetje meer geleden dan wij en nu zijn wij te Duitsgezind. In hun onmogelijkheid om zich in de geest van andere volken in te denken hebben de kaaskoppen veel van de moffen.'

Toch nog een beetje oorlog en literatoren dus in Ons Erfdeel, al zijn die oorlogen een beetje belegen, net als de meeste artikelen in dit degelijke maar saaie tijdschrift. Saai kan trouwens heel fijn zijn.

Ons Erfdeel, 42ste jaargang nr. 2, 1999. Uitg. Stichting Ons Erfdeel. Prijs ƒ25,–.