Tegen trauma is geen medicijn

Kosovaarse vluchtelingen zitten al vele weken in kampen. Trauma's komen aan de oppervlakte.

De Amerikaanse psychiater Kenneth Fligsten heeft gisteren een bijzonder `geval' gezien. Een jonge vrouw werd binnengebracht, volkomen verstijfd. De armen, de benen – ze wilden niet meer bewegen, konden niet meer bewegen. Fligsten gaf haar valium. De vrouw kwam na 20 minuten weer bij. ,,Wonderlijk, zulke aanvallen kwamen in de jaren '50 en '60 wel eens voor'', zegt de psychiater peinzend. Hij lurkt aan zijn koffie en deelt gedachteloos Amerikaansje biscuitjes uit. `Cookie?' Maar sinds de jaren '70 had hij geen `bevriezingen' meer waargenomen. Kenneth Fligsten is niet de enige verbaasde dokter in de Macedonische vluchtelingenkampen Stankovic I en II. Eerder had Susan Prosser, een Canadese psycholoog van Artsen zonder Grenzen, hetzelfde verteld. De afgelopen week had ze zeven `bevroren' vrouwen behandeld. Hun ledematen kon ze niet meer bewegen dat moest ze ook niet proberen, anders brak ze hun botten. Wat had Prosser dan gedaan? Masseren, strelen en veel praten, zegt ze. Soms wel anderhalf uur lang. ,,Het belangrijkste is een lieve, bezorgde stem.''

Dysenterie leek de ergste vijand te worden van de Kosovaarse vluchtelingen in de Macedonische kampen, gevolgd door cholera, mazelen, hersenvliesontsteking en geelzucht. Goed sanitair en tijdige inentingen hebben die vijand bezworen. ,,Twee weken geleden had ik zulk weer gevreesd'', zegt dokter Thomas Mydler van het International Medical Corps. Het is bijna 30 graden; zakten de mensen eerst tot hun enkels in de modder, nu waait het stof door de vluchtelingenkampen. De mensen lijden nu aan hoge bloeddruk en ze hebben hoofdpijn.

Die kwalen worden veroorzaakt door trauma, oordelen de Amerikaanse en de Canadese dokters eensgezind. De mensen zijn hun eigen vijand geworden, zegt Susan Prosser. De eerste behoeften zijn bevredigd: de vluchtelingen zijn veilig, ze krijgen eten en drinken en hebben onderdak. In die volgorde. Na circa vier weken komt de bezorgdheid om anderen en om zichzelf. Dan krijgen de vrouwen een epileptische aanval, worden de mannen agressief of raken ze buiten zinnen, gaan de kinderen stotteren. Sommigen zitten al acht weken in een opvangkamp.

Veel mensen krijgen terugblikken. ,,Nooit zag ik zoveel flashbacks als onder de Kosovaarse vluchtelingen'', weet Prosser. ,,Ik sprak laatst met een 83-jarige vrouw die om de vijf minuten een flashback kreeg. Die vrouw was helemaal weg.'' Eerder werkte Prodder in onder meer Sierra Leone, Soedan, Ghana. ,,Die mensen hebben zo lang zo veel bloed gezien, die lijken hun trauma's beter te verwerken.''

Zelf geloven de Kosovaarse vluchtelingen niet getraumatiseerd te zijn. Ze hebben pijn en willen pillen om er vanaf te komen. Het jongetje naast dokter Fligsten bijvoorbeeld. Hij heeft pijn in zijn hartstreek. ,,Ik voel mijn hart niet meer kloppen'', zegt hij met een doodernstig gezicht. Zijn moeder schiet in de lach. Een andere dokter luistert met de stethoscoop. Officiële analyse: spierpijn door het vele tekenen. Officieuze analyse: schreeuw om aandacht. De moeder neemt genoegen met de officiële uitleg - want niemand wil horen dat de meeste fysieke problemen eigenlijk mentale zorgen zijn.

Een drug-orientated land heet Kosovo onder de internationale hulpverleners in de kampen. Dergelijke depressies zijn echter nauwelijks met medicijnen te bestrijden. En veel vluchtelingen zijn inmiddels in een depressie geraakt, meent Susan Prodder. De vrouwen zijn neurotisch, gestressed. Ze zijn niet gewend beslissingen te nemen, maar hun mannen zijn verdwenen, dus ze moeten wel. Daar worden ze heel zenuwachtig van. En soms bevriezen ze.

De aanwezige mannen worden op hun beurt vaak lethargisch of juist agressief. Ze maken ruzie met elkaar - om niks. Ze reageren zich af op hun vrouwen en kinderen. De kinderen verwerken de belevenissen op een andere manier: ze beginnen te stotteren, plassen in bed, durven niet meer bij hun moeder vandaan. En veel kinderen schrikken iedere keer opnieuw van de dagelijkse explosies in de zandafgraving, even verderop. De hulpverleners laten hen tekenen - afbeeldingen van militairen met geweren, huizen in brand en zelfs afgehakte hoofden verschijnen dan op het papier. Het poppenspel is ook populair, de poppen stellen dieren voor. Prodder: ,,Want de kinderen hebben ieder vertrouwen in volwassenen verloren.'' De wolf-pop speelt overigens vaak voor Serviër.

Susan Prosser onderstreept het: ,,We zijn er ook voor de artsen.'' Zij worden overspoeld met lichamelijke klachten die al te vaak geestelijke klachten blijken te zijn. Vluchtelingen willen ook vaak hun verhaal vertellen; de dokter is dan de aangewezen persoon. Prosser en andere psychologen pogen dit werk over te nemen. Geestelijke gezondheidszorg in vluchtelingenkampen is volgens hen een betrekkelijk nieuw verschijnsel. In 1991 had Susan Prosser er op aangedrongen bij Artsen zonder Grenzen. Moest ze zelf niet in therapie, hadden ze haar gevraagd. Vluchtelingen hadden immers brood, onderdak, een infuus nodig. De doorbraak kwam volgens Prodder in de Bosnië-oorlog. Daar kregen hulpverleners te maken met torenhoge trauma's.

Een echte oplossing is nog niet gevonden. Het International Medical Corps denkt aan het opzetten van praatgroepen in de Macedonische opvangkampen; een voor mannen en een voor vrouwen. Over enkele weken zouden de groepen moeten beginnen. Intussen lijken de vluchtelingen vooral aan hun vertrek te denken. In een praatgroep zien ze weinig. ,,Mijn kind is ziek'', zegt een vrouw tegen dokter Kenneth Fligsten. Maar die ziekte blijkt al snel niet de reden van het bezoek te zijn. Haar man zit bij het Kosovaarse bevrijdingsleger UÇK, haar broer woont in Duitsland. ,,Ik wil naar mijn broer.'' Kan dokter Kenneth daar niet voor zorgen? Dokter Kenneth, zo zegt-ie zelf, zal kijken wat hij kan doen.