Simitis populair, ondanks woede over NAVO

Griekenland is massaal tegen de NAVO-luchtacties. Maar toch wordt de man die ze namens Grieklenland binnen de NAVO goedkeurt, premier Simitis, steeds populairder.

,,De Balkan heeft na deze crisis behoefte aan een locomotief, die de ontwikkeling zal trekken. Griekenland kan die locomotief worden en wij willen een wagon zijn aan de trein'', aldus de ooit fel nationalistische Ljubco Georgijevski, premier van Macedonië, tijdens het zesde Balkanforum dat deze week in Thessaloniki werd gehouden en was gewijd aan de wederopbouw van de Balkan. De Albanese premier Pandeli Majko was daarbij aanwezig, terwijl ook de Portugese eerste minister Antonio Gutierres in Noord-Griekenland op bezoek was. Met hun Griekse collega Kostas Simitis waren de drie regeringsleiders het erover eens dat Thessaloniki na het eind van de oorlog `hoofdstad' moet worden van het gebied dat zich bezighoudt met de wederopbouw van de Balkan.

Het Atheense dagblad Eleftherotypía kwam met de woedende kop `Daar bloed, hier geld'. Maar de preoccupatie met `de dag erna' is wel een van de factoren die bijdragen tot het verschijnsel dat de positie van premier Simitis in deze moeilijke periode eerder wordt versterkt dan verzwakt.

Op zichzelf zou verzwakking in de lijn der dingen hebben gelegen. Op het eerste gezicht lijkt de situatie voor de Griekse regering immers al onhoudbaar. Er woeden bombardementen op een bijna verafgood `broederland', bombardementen waartegen 96 procent van de bevolking zich fel keert, maar die al enkele malen door de regering met handtekeningen zijn gesanctioneerd, evenals het ermee samengaande olie-embargo.

Premier Simitis heeft het voortdurend over Griekenlands `dubbelidentiteit'. Hij betreurt keer op keer de bombardementen, registreert openlijk dat ze niet werken en richt zich de laatste dagen tegen de suprematie van de Verenigde Staten, maar laat de kans liggen, een veto in de NAVO uit te spreken. Nog dezer dagen heeft minister van Defensie Tsochatzópoulos zich uitgesproken voor voortzetting van de `noodzakelijke' oorlog.

Maar in plaats dat men Simitis dubbelhartigheid verwijt en de val van zijn regering eist, stijgt zijn populariteit, zodat zijn socialistische partij PASOK, blijkens opinieonderzoek, inloopt op de rechtste oppositiepartij Nieuwe Democratie, die een voorsprong van acht procent leek te hebben. Zelfs de Euro-verkiezingen van 13 juni worden door de regering nu weer met voorzichtig optimisme tegemoet gezien.

Hoe dit alles te verklaren? De woede over de bombardementen is ongetwijfeld oprecht, maar daarnaast bestaat bij de bevolking de vrees, op de een of andere manier rechtstreeks bij het conflict betrokken te worden. Simitis staat voor een zekere veiligheid. Bij het oversteken van de rivier moet men niet van paarden wisselen. En zijn argumentatie – als we uit de NAVO en (uit de EU) treden, raken we geïsoleerd – gaat niet in dovemansoren. Wat de NAVO betreft, preekt hij succesvol dat als Griekenland uittreedt Turkije van dit vacuüm misbruik zal maken door zich daar extra breed te maken.

In 1974 is Athene al eens onder de conservatieve regering-Karamanlis, uit boosheid over de Atlantische passiviteit inzake Cyprus, uit het militaire verband van de NAVO getreden. Drie jaar later heeft het zich veel moeite getroost, daar in weer terug te komen. Daaraan worden de Grieken nu weer keer op keer herinnerd. Zelfs de componist Theodorakis, die de belichaming is geworden van het verzet tegen de bombardementen, vindt dat zijn land in de NAVO moet blijven.

Wat de EU betreft, de Grieken betonen zich teleurgesteld over de slaafsheid danwel machteloosheid van de EU (,,Waar zijn de grote Europese leiders gebleven?'') maar zij willen, na zo veel offers, de trein naar de Europese Monetaire Unie (EMU) toch niet missen nu het eindstation zo dicht is genaderd. Bij het vooruitzicht hierop – en op de economische hausse rondom het herstel van de Balkan waarbij Griekenland voorop zal lopen – worden op de Atheense beurs steeds nieuwe records gebroken. Er wordt al druk gesproken over een officieuze, Simitis-gezinde `partij van de beurs', te weten degenen die zich met aandelen bezig houden, nu rond tien procent van de bevolking. Wat hier wordt genoemd de `Agora' (Maagd) stemde bij de laatste parlementsverkiezingen al op Simitis.

In zittingen van het Griekse parlement, gewijd aan de crisis, kon men vrijwel uitsluitend woedende klanken opvangen, niet het minst van voorzitter Kaklámanis, die verklaarde ,,zich te schamen Europeaan te zijn''. Maar het kwam niet tot een resolutie, laat staan tot een motie van wantrouwen.

In het parlement van Grieks-Cyprus, dat met hetzelfde gewetensprobleem worstelt, lag dit anders. Hier werd, nadat ook Nicosia zich bij het embargo had aangesloten, met klein verschil een resolutie aangenomen waarin wordt betoogd dat deze `politiek van het brave jongetje' nationaal schadelijk is. De regering van president Kliridis voert aan dat zij zonder meer moet afstevenen op aansluiting bij de EU, en dat alle andere gevoeligheden daarbij in het niet dienen te vallen. In Athene roept Simitis ten aanzien van de EMU praktisch hetzelfde – hij vat dit, tot nu toe succesvol, samen in zijn leus `Griekenland vóór alles'.