MAHLER

Des Knaben Wunderhorn (1899) is met twaalf delen Mahlers verreweg uitvoerigste liederencyclus en met sfeer en inhoud een afspiegeling van zijn vier eerste symfonieën, waarvan er drie ook zangteksten hebben: marsritmes verwijzen naar de dood, met humor en weemoed beheersen het aardse leed, via mythische teksten overgaand in mystiek. Voor de twee zangers is de uitdaging maximaal en er zijn dan ook slechts enkele superieure opnamen: die met Elisabeth Schwarzkopf en Dietrich Fischer-Dieskau, begeleid door het Cleveland Orchestra o.l.v. George Szell (1968, EMI) en die van Jessye Norman en John Shirley-Quirk, begeleid door het Concertgebouworkest o.l.v. Bernard Haitink (1976, Philips).

Anne Sofie von Otter en Thomas Quasthoff, begeleid door de Berliner Philharmoniker o.l.v. Claudio Abbado, voegen er nu een aan toe die puristischer is dan de vorige. De liederen worden alle solo gezongen, ook die waarbij sprake is van dialogen. Von Otter en Quasthof bewijzen zich met hun vocale en interpretatieve gaven hier opnieuw als behorend tot de top van de huidige liedzangers. En Abbado blijkt ook hier een uiterst begaafd Mahler-dirigent, met een scherp gevoel voor het dubbele in deze muziek.

Voor Mahler-liefhebbers is deze cd verplicht, maar de andere opnamen worden zeker niet in de schaduw gesteld. Een goed voorbeeld is Wo die schönen Trompeten blasen, een hoog-romantisch lied van een meisje over haar gestorven geliefde, die op de hei ligt begraven, maar wiens geest haar 's nachts bezoekt. Anne Sofie von Otter moet hier beide rollen vertolken maar ze mist net dat extra raffinement van Schwarzkopf, die haar stem kan doen omslaan alsof ze zich ook zelf de grens oversteekt naar dat etherische `Jenseits', waar Dietrich Fischer-Dieskau zingt. In zachtere passages zingt Von Otter zeer fraai van toon en expresssie, maar zingt ze uit, dan is ze de mindere van

Jessye Norman, die bij Haitink het lied solo zingt, geheel anders dan Schwarzkopf, op even fluwelige als vervoerende wijze.

Des Knaben Wunderhorn: DG 459 646-2