Laila al-Zwaini

Laila al-Zwaini (33) werkt als aio bij de letterenfaculteit van de universiteit Leiden. Deze week reisde zij naar Jemen in het kader van een hulpprogramma ter versterking van de rechterlijke macht. Laila al-Zwaini is ongehuwd.

Woensdag 5 mei

Mijn derde dag in Sana'a. Ik ben hier in opdracht van de Nederlandse ambassade om een samenwerkingsprogramma op te zetten op het gebied van rechtsontwikkeling en versterking van de rechterlijke macht. Jemen heeft twintig jaar geleden moderne wetten ingevoerd die in de praktijk echter onvoldoende gezag genieten. De rechterlijke macht bestaat grotendeels uit islamitisch geschoolde rechters, terwijl in grote delen van Jemen tribaal gewoonterecht wordt toegepast.

Officieel begint de missie pas zondag, toch ga ik alvast langs de ambassade om een lans te breken voor een onafhankelijk juridisch tijdschrift dat sinds een jaar door Nederland wordt gesponsord en vanaf het eerste nummer een ongekende populariteit geniet. Het biedt iedereen – rechters, advocaten, islamitische geleerden, tribale sheikhs, vrouwen – de gelegenheid met elkaar in discussie te gaan over omstreden wetsontwerpen, mensenrechten, corruptie, islam, de rol van de vrouw, noem maar op. Een unicum in de Arabische wereld!

Maar door de recent afgekondigde wijzigingen in de besteding van Nederlandse ontwikkelingsgelden dreigen dergelijke kleine projecten - hoe succesvol ook - te worden gestopt. Gelukkig toont de ambassade begrip, het tijdschrift is in ieder geval weer voor een jaar gered.

Tevreden bind ik mijn haar in een vlecht, knoop mijn lange jasjurk dicht en wurm mezelf in een van de vele minibusjes op weg naar het Franse onderzoeksinstituut dat in 1997 diende als uitvalsbasis voor mijn veldwerk. Een man stapt in en zet zijn kalashnikov tegen mijn knie. Ik geef geen krimp.

Donderdag

Vandaag neemt Jamal – een activistische, jonge advocaat en counterpart in onze missie - me mee naar de rechtbank. Tot mijn verrassing heeft hij zijn westerse pak ingeruild voor de traditionele Jemenitische outfit: lange witte hemdjurk met daaroverheen een jasje en het mannelijke statussymbool, de kromme heupdolk (djambiyya).

Jamal legt uit dat donderdagmiddag de belangrijkste qat-kauw dag in Jemen is, en dat de meeste mannen zich al 's morgens in passende kledij steken. Moderne Jemenitische vrouwen kennen maar één standaard straat-outfit: lange zwarte abaya's volgens de laatste mode uit de Golfstaten. Van kop tot teen verhullend, maar een vrijbrief om zich in het publieke leven te mengen zonder hun reputatie op het spel te zetten. Een glimp van strakke jeans en hooggehakte schoenen doet vermoeden dat er thuis geen restricties gelden.

Als we in de deuropening van het bureau van de rechter staan, valt er een secondenlange stilte waarin alle (mannen-)hoofden zich naar mij omdraaien. Een vrouw! Ongesluierd! Plots ontstaat een stoelendans waarbij iedereen van stoel wisselt en voor mij een plaats wordt vrijgemaakt. Ik vermoed een soort zit-rangorde.

De rechter – met traditioneel wit-omwikkeld hoofddeksel en lange afhangende schouderdoek – richt geïnteresseerd een aantal vragen tot mij en gaat dan verder met zijn werk, het ondertekenen en stempelen van allerhande briefjes en verzoeken, waarmee drommen mensen hem dagelijks overspoelen. Er worden nauwelijks taken gedelegeerd, ieder wissewasje loopt via hem. Zijn eigenlijke taak verricht hij dan ook vooral buiten de rechtbank.

Vrijdag

Mijn ouders zijn vandaag 35 jaar getrouwd. Twee hemelsbreed verschillende culturen en karakters op één kussen: mijn Nederlandse moeder een succesvolle carrière-vrouw, die daarnaast nog tijd vond voor huishouden en gezin. Mijn Iraakse vader een toegewijde moslim, die zich moest zien te schikken naar het liberale Nederland. Met zelf een traditionele sheikh als vader, was het niettemin vanzelfsprekend dat zijn beide dochters – Samira en ik – zouden gaan studeren. Ik ben trots op allebei.

Na een luie ochtend gaan Djoeke (van de ambassade) en ik 's middags naar een openluchtconcert waar iedereen al wekenlang naar uitkijkt. Muziek en dans waren tijdens de heerschappij van de imams (tot 1962) streng verboden. Vandaar dat alleen Jemen een luit kende die was gesneden uit één langwerpig stuk hout, zodat hij gemakkelijk in een wijde mouw verdween als de luitspeler zich op straat begaf. Nog steeds is een publieke muziekuitvoering hier een zeldzaamheid.

Als het concert na uren wachten eindelijk begint, weet ik niet meer hoe ik het heb: er is een flamencodanseres wier felle bewegingen tegen de achtergrond van de traditionele Jemenitische huizen volkomen misplaatst lijken. De jongens in het publiek juichen enthousiast telkens als ze haar rok boven haar knieën zwaait. De zwart-gesluierde vrouwen – die in een apart vak zitten – kijken geboeid toe. Of zijn ze geschokt? Het zweet breekt me uit van plaatsvervangende schaamte, maar Djoeke zit ontspannen naast me en geniet. Ik merk dat ik nog altijd moeite heb deze twee gezichten van Jemen met elkaar te rijmen.

Zaterdag

Ik ga naar de appèlrechtbank van Sana'a waar ik voor een eerder onderzoek veel tijd heb doorgebracht. Een groot deel van 1997 deed ik hier veldwerk voor mijn proefschrift over de wisselwerking tussen islamitisch recht, statelijk recht en tribaal gewoonterecht. In Jemen met zijn vele stammen is die wisselwerking goed te zien.

Er is nu een nieuwe president, een zeer conservatieve islamitische rechter, die ik graag wil interviewen. Ik tref een streng uitziende, oude man met lange baard aan en moet me inhouden om hem geen hand te geven.

Het ergert me dat ik me nog steeds niet goed een houding weet te geven bij zulke ontmoetingen. In een land als Jemen ben ik voortdurend in conflict met mezelf en mijn omgeving. Van Hollands meisje verander ik in een moslimse die zich nauwelijks raad weet met de heersende codes. Mijn grootste worsteling destijds was of ik nu wel of niet een hoofddoek zou dragen. Uiteindelijk deed ik het alleen binnen de rechtbank, omdat ik anders de rechter in verlegenheid zou brengen, maar niet in mijn vrije tijd. Wel heb ik daardoor eens een rechter die ik toevallig op straat tegenkwam, vreselijk laten schrikken toen ik hem ongesluierd groette. Het probleem is opgelost nu ik me kan presenteren als missie-lid. Een hele opluchting.

's Avonds ga ik mee naar een Italiaanse diplomate die ons een uitgebreide kookles geeft. Met een uitgelaten, internationaal gezelschap genieten we daarna in haar enorme tuin van het overvloedige resultaat. Het wordt nog gezelliger als de elektriciteit uitvalt en we overal olielampjes neerzetten.

Zondag

Ik raak een beetje in paniek, want de agenda voor de missie moet nog voor het grootste deel worden vastgesteld, terwijl we morgen al beginnen. Gelukkig blijkt het in Jemen geen enkel probleem om de minister of de president van de Hoge Raad persoonlijk te bellen om een afspraak op zeer korte termijn te maken. Zo lukt het al snel de agenda te vullen.

We lunchen in een restaurant dat ingericht is als een bedoeïenentent. Hier kun je een heel schaap voor tachtig gulden laten opdienen. Met de rechterhand eten we in hoog tempo van gemeenschappelijke schalen: uitgebreid tafelen is geen Arabische gewoonte.

's Avonds arriveren Jan en Rosa, mijn collega's in de missie. Jan is directeur van een centrum dat internationale programma's uitvoert op het gebied van juridische hervormingen. Rosa is rechter met veel internationale ervaring. Als we om middernacht inchecken in ons hotel, krijgen we als welkomstdrankje een feloranje limonade aangeboden. Lurkend aan het rietje kunnen we ons niet lang inhouden en zingen besmuikt het liedje over Sofietje. De staf kijkt ons verbouwereerd aan.

Maandag

Jan zit al een uur te wachten op Rosa en mij: hij was vergeten zijn horloge te verzetten. Eerst hebben we een briefing op de ambassade, waarna we met de Worldbank en de UNDP overleggen. Beide zijn sinds enige tijd ook begonnen met een juridisch hervormingsprogramma, dus we moeten ervoor zorgen elkaar niet voor de voeten te lopen.

Uit de gesprekken komt naar voren dat ons een zeer moeilijke klus te wachten staat. Vertel mij wat.

In de middag bezoeken we het oude Sana'a. Zodra ik door de oude stadspoort loop, overvalt me een 1001-nachtgevoel. Jemenitische mannen in vele variaties op de traditionele dracht lopen rond met een bolle wang van de qat, of hangen laveloos achter hun toonbank. Ze storen zich nauwelijks aan onze aanwezigheid, terwijl we toch de enige buitenlanders zijn.

We passeren de zilvermarkt, stoffen, schoenen, koper, rozijnen, kaarsen, kruiden, wierook, djambiyya's, manden, tapijten, smederijen, noem maar op. Hollandse speculaas is ook te koop, evenals mobiele telefoons. En de laatste trend: Jemenitische miniatuur-huisjes die je van binnen kunt verlichten zodat de kleurige boograampjes goed uitkomen.

Ter afsluiting van de dag eten we in een sjiek hotel waar twee Aziatische zangeressen in zwarte leren pakjes hun best doen het westerse publiek te vermaken.

Dinsdag

We nemen een taxi naar onze eerste afspraak. Als we gaan zitten zakken we zowat door de carrosserie en de deuren vallen bijna uit hun scharnieren bij het dichtslaan. De voorruit geeft nauwelijks zicht door de wijd uitwaaierende barsten. Gehuld in een walm van diesel (en rook – de chauffeur heeft twintig pakjes sigaretten voor zijn raam liggen) schokken we voort, slingerend om plots overstekende geiten, links en rechts inhalende auto's, onduidelijk zwaaiende verkeersagenten en kinderen die ons van alles proberen te verkopen.

Plots begint Jan te draaien op zijn stoel: zijn lens is uit zijn oog gevallen en dus moeten we stoppen om overal te zoeken. Als we hem uiteindelijk vinden blijkt hij dubbelgevouwen en moet Jan hem in zijn mond nemen om los te weken. Ik breek mijn hoofd over hoe ik zometeen moet uitleggen dat Jan niet kan praten wegens een dubbelgevouwen lens in zijn mond, maar gelukkig komt het goed net voordat we aankomen.

Doel van de rit is de Hoge Raad die in hetzelfde gebouw huist als het ministerie van Justitie. We worden binnengelaten in een enorme kamer vol roze fauteuils met gouden krulranden. In een daarvan zit diep weggezakt de president van de Hoge Raad: een kleine, tengere man in de traditionele kleding van een islamitische rechter, een kralenkettinkje tikkend door zijn vingers bewegend. Zijn gezicht straalt van genoegen over onze komst. Tegenover hem zit de vice-president, zijn absolute tegenbeeld: een forse man met een dikke zwarte snor in een modern westers pak. Als Rosa wordt voorgesteld als rechter springt hij verheugd op en schudt haar secondenlang de hand.

Ik sta perplex over de hervormingen die hier sinds mijn laatste bezoek vorig jaar hebben plaatsgevonden. In plaats van de gebruikelijke lethargie treffen we nu hardwerkende rechters aan die de gigantische achterstand in hoog tempo verwerken en de duizenden handgeschreven vonnissen in de computer overtikken. Mijn proefschrift lijkt al achterhaald voordat ik het zelfs maar heb opgeschreven. 's Avonds eten we bij de ambassadeur en horen interessante verhalen over bekende Nederlanders.

Woensdag 12 mei

Ik word met knallende hoofdpijn en misselijk wakker, maar raap mezelf bijeen want we hebben een druk programma. Onze eerste ontmoeting is met de minister van Justitie. Het gesprek verloopt volgens het boekje, totdat we op het punt van vrouwelijke rechters komen. Jemen heeft als enig Arabisch land enkele vrouwelijke rechters, een erfenis van het voormalige socialistische Zuid-Jemen. Nieuwe instroom is er echter niet meer wegens de sociale restricties. Een gevoelig punt.

Na nog een paar formele gesprekken, waarbij we onverminderd priklimonade, mierzoete koffie en koekjes krijgen aangeboden en voortdurend gestoord worden door de telefoon, zit het erop. Met zijn vieren samengeperst op de achterbank van de ambassadeursauto – zonder vlaggetje helaas, want de ambassadeur zit niet op zijn gebruikelijke plaats rechtsachterin – zoeven we door het verkeer.

Onderweg maken we ons vrolijk over de Jemenitische gewoonte om auto's namen te geven van wulpse vrouwen. Zo heet het laatste model Toyota Landcruiser met brede achterkant in de volksmond `Monica'. We eten in een van de lokale visrestaurants, waarbij verse vis op loeiende vuren wordt klaargemaakt en vervolgens met platte, ronde broden en een roze sausje opgediend. Mijn maag kan er gelukkig weer tegen.

In de middag hebben we onze eerste qat-sessie bij een rechter thuis. Op blote voeten betreden we een grote langwerpige kamer met zitkussens langs de muren waarop twintig rechters en advocaten al urenlang hun groene qat-blaadjes kauwen. In het midden staat een enorme waterpijp met een meterslange roze slang die van mond tot mond gaat. Regelmatig wordt overtollig speeksel in de kwispedoren uitgespuugd.

Het gesprek ontwikkelt zich ditmaal in omgekeerde richting: de rechters stellen ons allerlei vragen over de opleiding en positie van rechters in Nederland. Het is een mooi gezicht om al die mannen geboeid naar Rosa te zien luisteren terwijl ze aantekeningen maken. We krijgen echter beiden al gauw enorme kramp in onze benen omdat we deze als vrouw onzichtbaar onder onze rok gevouwen moeten houden. Als de gebedsoproep klinkt, excuseren de meesten zich. Sommigen blijven echter gewoon zitten. Deze kant van de islam is me vertrouwd. Ik voel me weer één geheel. In het bureau van de rechter draaien alle hoofden zich om. Een vrouw! Ongesluierd!