Het individualisme herzien

Enkele kanttekeningen bij het zonnige beeld dat naar aanleiding van het onderzoek van de Volkskrant werd geschetst van de verhouding tussen jongeren en hun ouders. Schaduwpartijen zijn trouwens vaak het interessantst.

Overigens zijn de resultaten van het Volkskrantonderzoek slechts een bevestiging van wat al veel langer op basis van grootschaliger onderzoeken bekend is: Nederlandse ouders en jongeren kunnen het over het algemeen goed met elkaar vinden. Ruim negentig procent komt na school of werk graag thuis in het ouderlijk huis. In 1992 stond dan ook boven een artikel in deze krant naar aanleiding van een dergelijk onderzoek: ,,De generatiekloof kan op de schroothoop van de jaren zestig.''

Maar voordat moderne ouders nu het gevoel krijgen dat zij het dus veel verstandiger aanpakken dan generaties ouders vóór hen, zijn enkele overwegingen te noemen die aansporen tot bescheidenheid, omdat het niet zo zeer rechtstreeks aan hen ligt, als wel aan de omstandigheden waarbinnen de meerderheid van ouders hun kinderen tegenwoordig kan grootbrengen.

De klassieke theorieën over de noodzaak voor jonge mensen om zich via een generatieconflict los te vechten uit het ouderlijk huis stammen van vóór het op grote schaal ter beschikking komen van de pil. Met dit simpele en betrouwbare middel werd een belangrijke pijler onder de ouderlijke autoriteit weggenomen. Een groot deel van de vroegere strengheid en verboden was namelijk rechtstreeks terug te voeren op de dreiging van ongewenste zwangerschap. Het was zowel rampzalig als een dochter zwanger werd, als wanneer een zoon een meisje zwanger had gemaakt. Toen de angst daarvoor wegviel, konden ouders hun kinderen meer vrijheid geven. Die seksuele vrijheid had bovendien een wijde uitstraling over andere levensgebieden, zoals op mode, literatuur, film en muziek. Wat jongeren van hun ouders mogen dragen, lezen, zien en beluisteren kent vergeleken met vijftig jaar terug weinig uit noodzaak geboren beperkingen. Ook de ouders zelf profiteren trouwens van die grotere vrijheid.

Een andere gunstige omstandigheid voor vrede in huis is de welvaart. Er is vergeleken met vroeger in de meeste gezinnen meer geld te spenderen voor een kleiner aantal kinderen, die zich dan ook minder hoeven te ontzeggen. Het klagen over de terreur van dure merkkleren doet bijvoorbeeld vaak wat onecht aan. Als ouders ze werkelijk niet konden betalen, werd er niet gekocht. Allerlei aanschaf is niet zoals vroeger zonder meer nee-afgelopen-uit-onmogelijk. Bovendien zijn er de talloze baantjes voor eigen verdiensten. Daarmee is een bron van spanning weggevallen. Wat over is gebleven zijn hooguit enig gezeur van de kinderlijke en gemopper van de ouderlijke kant. Waarna de aankoop kan plaatsvinden.

Dezelfde welvaart bracht in combinatie met de kleinere gezinnen een eigen kamer onder bereik, zodat men minder dan voorheen op elkaars lip zit. De ene gezinsradio, -televisie en -telefoon zijn verleden tijd. Ieder het zijne en het hare en je kunt je eigen gang gaan, zonder een ander te storen. Zo kunnen moderne ouders en kinderen talloze potentiële conflicten omzeilen, waar men in vroegere gezinnen doorhéén moest.

Of dat alleen maar zegen is, valt te betwijfelen. Om een eigen vorm te kunnen vinden moet je begrenzingen om je heen voelen. Pas als je weerstand ondervindt kun je ervaren wat werkelijk van waarde voor je is. Daarom zullen ook de meest tolerante ouders tot hun verbazing merken dat er altijd als ware uit het niets toch ruzie kan komen. Interessant is dat uit sommig onderzoek blijkt dat jongeren die ruzies vaker beginnen dan hun ouders. Maar het zijn dus in zekere zin conflicten om het conflict als zodanig, waarvoor altijd wel een aanleiding te verzinnen valt. Ze worden niet gevoed door de noodzaak rekening te houden met wensen, belangen en voorkeuren van anderen. Ze hebben dan ook iets kunstmatigs.

En zo kan de huidige jonge generatie over het algemeen aardig ik-gericht opgroeien langs lijnen van eigen behoeften. Zelfs de eventuele botsingen ontstaan voor hun gerief. En dat begint al jong, want ook kleine kinderen hoeven thuis minder aandacht, ruimte en bezit te delen. Het ego vaart er wel bij, het super ego minder.

Daarin zou men een verklaring kunnen vinden voor de zo heel andere kijk die leraren blijkens onderzoek hebben op de jeugd. Op school zitten leerlingen dicht opeen als groep en er is slechts beperkte vrijheid van activiteit. Die omstandigheden maken het omzeilen van botsingen zoals men van huis uit is gewend, onmogelijk. ,,Kinderen worden niet meer opgevoed'', zeggen de leraren dan. Maar zo is het niet. Ouders zijn wel degelijk in overgrote meerderheid betrokken bij het grootbrengen van hun kinderen. Alleen sluit het door veranderde gezinsomstandigheden niet meer – zoals vroeger althans in sterkere mate – aan bij wat op school prettig zou zijn.

Het leren dat daar moet plaatsvinden is een bij uitstek individueel proces, dat zich in ieder hoofd afzonderlijk moet afspelen. In een klimaat dus waarop de leerlingen niet zijn voorbereid. Dat geeft problemen, waarop in principe twee reacties mogelijk zijn. Of op school wordt de sociale vorming krachtig ter hand genomen: als groep rekening houden met elkaar, samen werken, op je beurt wachten, je mond houden als een ander aan het woord is. Of men probeert het huiselijke klimaat zo veel mogelijk te imiteren. De huidige onderwijskundige wind waait in deze laatste richting: iedere leerling zijn eigen tempo, eigen leerstijl, eigen lesstof, eigen begeleiding. Net als thuis. Dat lijkt me echter net te veel van het individueel goede.