EXTREME POLLENREGEN KAN KLIMATOLOGISCH BEELD VERSTOREN

Hoe het klimaat gedurende het IJstijdvak (en deels daarvoor) fluctueerde, weten we vooral uit analyses van stuifmeelkorrels (pollen) die in bodemsedimenten zijn opgenomen. Die korrels kunnen worden gedetermineerd, waaruit de vegetatie kan worden gereconstrueerd. Onderzoekt men de sedimenten zo laagje voor laagje (bijvoorbeeld via een boorkern uit een meerbodem), dan krijgt men dus – via het pollenprofiel – inzicht in de met de loop der tijd optredende veranderingen in de vegetatie. Omdat de vegetatie samenhangt met het klimaat, kunnen `koude' en `warme' pollen zo klimaatfluctuaties weergeven.

Dit beeld is echter iets te simpel. Op betrekkelijk dicht bijeen gelegen locaties vindt men namelijk soms pollenprofielen met aanzienlijke verschillen. Een duidelijk koud (of warm) niveau in het ene profiel kan in het andere geheel afwezig blijken. Dat kan lang niet altijd worden verklaard door locale verschillen in milieu-omstandigheden. Vaak werd daarom gedacht dat dergelijke verschillen moesten worden toegeschreven aan uiteenlopende bemonsteringstechnieken of aan toeval (in de ene boorkern onderzoekt men net niet het niveau dat in de andere kern zo belangrijk blijkt). Talloze discussies over het aantal ijstijden in het Pleistoceen – en over de temperatuurfluctuaties in de afzonderlijke ijstijden en interglacialen – zijn daaruit voortgevloeid.

In een Scientific Correspondence in Nature (6 mei) geven Canadese onderzoekers een mogelijke verklaring voor de raadselachtige discrepanties. Bewoners nabij Repulse Bay, een plaatsje in het noorden van Canada, troffen op 6 juni gele `vliezen' aan op tal van meertjes en plassen. Ze bleken te bestaan uit pollen van twee boomsoorten: 92 procent was van een den (Pinus banksiana) en 8 procent van een spar (Picea glauca). Normaal komen er in dit arctische gebied nauwelijks pollen van bosvegetatie terecht: gemiddeld minder dan 1 exemplaar van een soort per vierkante centimeter per jaar. Nu waren er echter honderden per vierkante centimeter gevallen binnen enkele uren.

Het blijkt dat op 1 juni een extreme depressie (850 mbar) in centraal Quebec voor hoge windsnelheden zorgden. De wind vervoerde de pollen hoog door de lucht (op circa 1300 m hoogte) met een snelheid van zo'n 44 km/uur. Nabij Repulse Bay, 3000 km verderop, nam de wind af tot minder dan 20 km/uur en vond `uitregening' van de pollen plaats.

De onderzoekers wijzen erop dat de pollenregens een regionaal verschijnsel zijn. Dat kan verklaren waarom diverse pollenprofielen sterk van elkaar afwijken. Voor reconstructies van het vroegere klimaat moet daarmee dus rekening worden gehouden: zelfs een hoge concentratie van `warme' pollen maakt nog niet per definitie een (interglaciale) zomer. (A.J. van Loon)