De juiste plaats

In Sorrento en op Capri zag ik wilde acanthus: het heeft iets van zinsbegoocheling een geliefde tuinplant in een vreemd land in het wild langs de spoorlijn te zien groeien. Op Capri zag ik ook massa's acanthus op een kerkhof, bij de graven van Norman Douglas en Gracie Fields, weelderig en groen zelfs in februari - het moet een fantastisch gezicht zijn wanneer die in bloei staan. Mijn Acanthus mollis, een klein plantje toen ik hem kocht, is nu bijna zo spectaculair als die Sorrentiaanse giganten; hij is dan ook buiten de grenzen getreden die voor hem uitgestippeld waren; twee broertjes - er waren er oorspronkelijk drie - werden in de kiem gesmoord en hij bedreigt nu een naburige hydrangea.

Ik bezat al een A. hungaricus, gekocht toen ik geen A. spinosus kon vinden, de soort met de meest getande bladeren, maar deze zijn op geen stukken na zo groot als A. mollis. De bladeren van deze laatste zijn verre van getand, ze zijn groot en flodderig, iets als sla gekweekt in een kas, alsof er teveel water in zit. Ik las ergens dat A. mollis in feite minder voorkomt dan zijn variant A. mollis var. latifolius, beschreven als hebbende heel grote glanzende en slappe bladeren. Ik denk dat de mijne er zo een is, slap is het woord. Er wordt gezegd dat hij speciaal tot zijn recht komt tegen oude stenen of metselwerk, en dat geldt gelukkig ook voor de mijne. Het doet ook denken aan het effect op poppenhuismeubilair, wanneer bijvoorbeeld een armstoel groter van schaal is dan de rest.

Ik denk dat het een voorbeeld is van dat zeldzame verschijnsel: de juiste plant op de juiste plaats. Ironisch genoeg had ik hem vorig jaar bijna uitgegraven: hij groeide niet, werd opgevreten door de slakken en na een jaar zag hij er nog precies zo uit als toen ik hem kocht. Sommige planten beginnen meteen te groeien zodra je ze plant, maar andere lijken eerst een beetje te willen wachten. Soms wordt dat definitief, zoals met dat mooie zwarte gras, Ophiopogon planiscapus `Nigrescens'; de mijne is niet veranderd sinds ik hem vijf jaar geleden kocht. Hij zou net zo goed van plastic kunnen zijn. De moeilijkheid is dat er in het tuinieren zoveel variabelen zijn, je zou eigenlijk voortdurend proeven moeten nemen over de hele tuin, met controlegroepen ter vergelijking. Het komt voor dat een plant ineens begint te groeien wanneer je hem verplaatst; soms vraag ik me af hoeveel er worden opgeruimd precies op het moment dat ze uit hun slof zouden schieten.

Een enkele keer is het mogelijk er achter te komen wat er mis is, en er dan iets aan te doen. Zelfs nu kijk ik nog met besmuikte gevoelens van trots naar mijn Choisya ternata, Mexicaanse oranjebloesem, die dit jaar spectaculair heeft gebloeid en nu zowat de afmetingen heeft van een Fiat 500; maar eerst deed hij het niet goed, hij groeide niet en zag er steeds meer verpieterd uit. Toen zag ik op een keer dat hij heel los in de grond stond, hij zwaaide heen en weer in de wind als een duikelaar. Onze tuin is zo beschut dat je niet denkt aan wind, tenminste niet op maaiveldhoogte (op Gardeners' World observeerde ik vaak geboeid hoe het altijd waaide in Geoff Hamilton's tuin) maar deze plant stond toevallig in een soort windtunnel. Ik bond hem op en al na een paar weken begon hij zichtbaar te gedijen.

Niet ver van de acanthusgigant staat zijn antipode, een plant zo fijn en delicaat dat zij haast onzichtbaar is. Het is een clematis genaamd `Lunar Lass', een merkwaardig aantrekkelijke naam. Het is een nieuwe soort, afkomstig uit Nieuw Zeeland, afgeleid van Clematis fosteri en niet helemaal winterhard. Zij is groenblijvend en blijft dat onder dezelfde voorwaarden als Clematis armandii. Mijn C. armandii is groen gebleven tijdens de laatste twee winters; zij bloeit ook, zij het niet zo uitbundig als ik wel zou willen. Toen het drie jaar geleden echt koud werd verloor zij veel blad, maar maakte daarna keurig weer nieuw. C.armandii kun je niet missen met haar grote leerachtige bladeren, maar met `Lunar Lass' ligt dat anders.

De blaadjes zien er uit of zij door minatuurhandjes uit fijne kant waren geknipt en ook de bloemetjes zijn minuscuul, discreet en bijna kleurloos; het geheel heeft inderdaad iets maanachtigs, als zo'n door flauwtes gekwelde bleke vrouw op een victoriaans schilderij. Je zou werkelijk niet denken dat het een lid was van dezelfde familie als C. armandii, maar er zijn er nu eenmaal voor elke smaak, sommige zo onclematisch dat zelfs mensen die niet van clematis houden ervoor vallen.

Onze `Lunar Lass' is nu uitgebloeid; zij heeft stervormige zaaddozen, op dezelfde miniatuurschaal als de rest. Clematis fosteri wordt beschreven als `sprawling', en ik denk dat dat is wat `Lunar Lass' ook het liefste zou willen doen. De beste plaats ze te planten is in feite de voorste rand van de border, ergens waar je er niet overheen kijkt, vastgemaakt aan een staak bijvoorbeeld, of in een hoop. Het is interessant te zien hoe anders planten er uitzien wanneer je ze presenteert op de plaats waar ze permanent moeten komen staan, en wanneer ze er ook daadwerkelijk geplant zijn: `Lunar Lass' verdween bijna toen ze eenmaal stond. Je moet haar zeer beslist niet tegen een bakstenen muur zetten, of alleen tegen een muur waar je vlak bovenop zit; je kunt haar uit de verte niet zien, zoals een haarnet.

Er schuilt iets heel onrechtvaardigs in om meer van planten te houden die het goed doen dan van verliezers, meer van een die op de juiste plaats is beland dan een die geen goed plekje heeft in de tuin. Zo zal `Lunar Lass' haar kans ook nog wel krijgen, je weet nooit, misschien staat over twee jaar de hele tuin er vol mee. En dan vertrek ik naar Nieuw Zeeland om te zien hoe ze er in werkelijkheid uit behoort te zien.

229