de hulpverlener

In 1994 verbleef Lucas Bolsius drie maanden in het toen nog Zaïrese Goma. Hij werkte daar voor Memisa als logistiek deskundige in een vluchtelingenkamp voor Ruandese Tutsi's. Bolsius, nu fractievoorzitter voor het CDA in de Rotterdamse gemeenteraad, verdiende ongeveer 5000 gulden bruto per maand. Dit bedrag werd door Memisa op zijn bankrekening gestort. Maar Memisa declareerde de 5000 gulden weer bij PSO, de Vereniging voor Personele Samenwerking met Ontwikkelingslanden. PSO zal bij de meeste Nederlanders niet bekend zijn. Het is de koepel van 30 organisaties die regelmatig mensen uitzenden naar het buitenland. Zij beoordeelt de kwaliteit van uitzendingen en financiert zaken als verzekeringen èn salarissen. Aangesloten zijn onder andere Memisa, de Novib, het Nederlandse Rode Kruis, Terre des Hommes. TEAR fund Nederland, en Stichting Oecumenische Hulp. Dit zijn allemaal organisaties bekend uit het rijtje van de Samenwerkende Hulporganisaties die nu geld inzamelen en hulp bieden aan de Kosovaarse vluchtelingen in Albanië en Macedonië.

Een belangrijk principe van PSO is dat de hulpverleners in dienst komen van een lokale organisatie, en daarvan ook een lokaal salaris ontvangen. PSO vult dat salaris vervolgens aan tot een redelijk Nederlands niveau. In noodsituaties wordt afgeweken van de regels. In dergelijke omstandigheden zijn er eenvoudigweg meestal geen lokale organisaties of infrastructuur meer. PSO hanteert voor de reguliere- en de noodhulpverlening dezelfde loonschalen. Uitvoerend personeel krijgt minimaal 3172 gulden en maximaal 4873 gulden bruto per maand. Management en adviesfuncties betalen meer. De enkeling die een zeer zware beleidsfunctie bekleedt in een ontwikkelingsland kan een salaris ontvangen van maximaal 8056 gulden bruto per maand. Voor noodhulpverleners worden over het algemeen de hotelkosten vergoed.

PSO geeft maar een beperkt deel van haar budget (in totaal ongeveer 42 miljoen gulden) uit aan noodhulp. Als het gaat om noodhulp, zoals nu in Albanië en Macedonië, komt het vaak voor dat een lid-organisatie haar eigen fondsen moet aanspreken, bijvoorbeeld een deel van het geld dat binnenstroomt op giro 555.

In het rijtje van de Samenwerkende Hulporganisaties staat ook Artsen zonder Grenzen als een van de bekendere hulporganisaties. AzG werkt heel anders dan PSO en haar leden. Mensen in dienst van AzG krijgen in de eerste twaalf maanden geen arbeidscontract maar een vrijwilligersovereenkomst. Deze expats ontvangen dus geen officieel salaris. Tijdens het verblijf in het veld worden alle kosten voor levensonderhoud zoals eten, drinken en onderdak betaald. Tijdens de missie ontvangt de medewerker elke maand in Nederland een vergoeding voor de kosten. Daarvan blijft na belastingaftrek zo'n 1000 gulden netto over. Wie 12 maanden gewerkt heeft voor AzG krijgt een arbeidscontract per project. Dat levert afhankelijk van de functie 2344 gulden bruto minimaal en 3500 gulden bruto maximaal op. Een medewerkster van de hulporganisatie zegt dan ook dat `niet iedereen het zich kan veroorloven om bij Artsen zonder Grenzen te gaan werken. Als je vrouw en kinderen thuis hebt zitten kan het niet'. Keerzijde is wel dat de medewerkers vrijwel alle kosten vergoed krijgen; artsen zonder grenzen houden hun loon vrijwel helemaal over. Wie langer werkt voor de organisatie krijgt niet meer geld maar betere secundaire arbeidsvoorwaarden. Bij langlopende contracten van een tot drie jaar is het bijvoorbeeld mogelijk om extra vakantie te nemen.

Er zijn ook noodhulpverleners die direct worden uitgezonden door het ministerie van buitenlandse zaken. Het DGIS, Directoraat Generaal Internationale Samenwerking van het ministerie van buitenlandse zaken heeft een pool van deskundigen die snel uitgezonden kunnen worden. Over het algemeen gaat het dan om mensen die gespecialiseerd zijn in juridische en logistieke zaken. Uit deze pool wordt ook gevist als er internationale waarnemers nodig zijn in conflictgebieden. Zij worden betaald volgens de ambtenaren-cao. De meesten zitten in schaal 11 of 12. (ongeveer 5000 tot 8500 gulden)

Bovenop dat salaris komen vergoedingen voor verblijf en eten. Anders dan in sommige landen het geval is keert het ministerie geen gevarengeld uit. Het departement staat op het standpunt dat iedereen vrijwillig uitgezonden wordt naar een bepaalde plaats en dat daar verder niets extra's tegenover hoeft te staan.

De voormalige Stichting Nederlandse Vrijwilligers (SNV) werkt op ongeveer dezelfde manier als het ministerie van buitenlandse zaken.SNV is nauw verbonden met dit departement, en ook voor medewerkers van deze organisatie geldt dat zij uitbetaald worden volgens de ambtenaren-cao.

Lucas Bolsius heeft in zijn tijd als noodhulpverlener in Goma gemerkt dat de verschillen tussen inkomens vrij groot zijn: `je komt hulpverleners tegen die 300 gulden per dag verdienen en mensen die 1000 gulden per maand krijgen'. Bolsius doelt dan met name op organisaties die werken als Artsen zonder Grenzen. Volgens plaatsvervangend directeur Reynout Van Dijk van de Hoofdafdeling Personele zaken Internationale samenwerking van het ministerie van buitenlandse zaken vallen de verschillen over het algemeen mee. Volgens hem is er een groot verschil in de secundaire arbeidsvoorwaarden. Mensen die rechtstreeks door de VN betaald worden krijgen hoge onkostenvergoedingen, maar vaak weer geen wachtgeld, pensioenopbouw of andere sociale voorzieningen.

Voor vrijwel alle hulporganisaties geldt dat zijn in de loop van de jaren geprofessionaliseerd zijn. De visie op ontwikkelingswerk is veranderd. Het clichébeeld van de vrijwilligers die latrines graven bestaat bijna niet meer. Moderne ontwikkelingswerkers en hulpverleners zijn consultants die beleid maken en aansturen. De eisen die gesteld worden zijn hoog. Vaak wordt een academische opleiding gevraagd en veel ervaring in relevante functies. De Nederlanders die in Macedonië en Albanië persoonlijk speelgoed, kleding en medicijnen kwamen afleveren voor Kosovaarse vluchtelingen zijn niet meer representatief.