De helft

Het onderwijs heeft tot voor kort de luxe gekend van een enorme werkloosheid. Een luxe, want daardoor konden basisscholen, als ze 's ochtends hoorden dat iemand ziek was, de telefoon grijpen en vervanging regelen. Oproepkrachten zaten thuis in de startblokken te wachten en kwamen opdraven zodra ze ontboden werden. Zo lang de telefoon niet ging, verdienden ze ook niets.

Geen bedrijf kan zich zoiets permitteren en sedert enige tijd ook het onderwijs niet meer. Niemand hoor je daarover, behalve de scholen. Die zien zich door de personeelsnood gedwongen tot een humanere oplossing van de vervangingsproblematiek. Zo zijn er door veel besturen pools gevormd van vervangers. Die hebben een dienstverband met het bestuur en worden als een soort van vliegende kiep ingezet waar de nood het hoogst is.

Geen band met een klas, noch met de ouders, noch met een school: het is weinig aantrekkelijk werk. Ook voor dit soort banen wordt het, althans in een aantal regio's, steeds moeilijker gegadigden te vinden. Dus moeten werkgevers over de brug komen met gewone banen die concurrerend zijn met wat werkgevers in andere sectoren aanbieden. Maar van die gewone banen zijn er maar weinig en dat is voor een belangrijk deel het gevolg van het gebrek aan doortastendheid van de besturen.

Veel van de banen hebben betrekking op vervanging wegens ziekte. Nu is het onderwijs een bekende burn-out sector. Van veel van de afgebrande leraren is bekend dat ze nooit meer naar school zullen terugkeren, maar zolang de afkeuringsprocedure niet is afgerond, is er officieel geen sprake van een vacature. Als je als bestuur een aantal scholen onder je beheer hebt, en een aantal leraren in een afkeuringsprocedure hebt zitten, kun je natuurlijk met een gerust hart een vervanger vast benoemen, in plaats van die in het onzekere te laten verkeren van `vervanging wegens ziekte'. Wil je personeel krijgen en houden dan is dat het eerste waar je voor moet zorgen: dat mensen een redelijke mate van zekerheid krijgen. Niet alleen informeel, van de directeur die verzekert `meid, maak je geen zorgen, die komt heus niet meer terug', maar formeel met een verklaring van het bestuur.

Op een krappe markt moet je je ook actiever opstellen. Zo ken ik verschillende scholen die een onderwijsassistent in dienst hebben, van wie de directie meent dat die uitermate geschikt zou zijn als leraar. Ze missen alleen nog bepaalde specifieke kennis en, wat belangrijker is, de formele bevoegdheid. Betrokkenen willen graag de deeltijdopleiding voor leraar volgen, maar zien op tegen de kosten. Bovendien strookt het programma ook niet met hun opleiding en ervaring.

In de eerste plaats de kosten: het bestuur is bereid, vertelt me een directeur niet zonder trots, maar liefst de helft van die kosten te betalen. `Maar liefst de helft', wanneer je als bestuur in de Randstad moord en brand schreeuwt dat je niemand kunt krijgen, dat je klassen naar huis moet sturen, dan ga je toch niet zeuren over die paar duizend gulden, dan betaal je zonder morren de hele opleiding.

En dan het programma: de een heeft een opleiding gevolgd in de hulpverlening voor jongeren en is op dit gebied ook jarenlang werkzaam geweest, een ander is indertijd in het derde jaar met haar PA-opleiding gestopt omdat er toch geen werk te vinden was, en ga zo maar door. Die mensen moet je natuurlijk niet een en dezelfde standaard deeltijdopleiding aanbieden, maar een opleiding toegesneden op hun tekorten.

In plaats van hun tijd te verdoen met gejammer over een tekort aan leraren, zouden besturen die tijd moeten besteden aan het zoeken naar oplossingen. Kortom, ze moeten eindelijk eens gaan doen wat overal elders al lang gebruikelijk is.

Leo Prick