De Chinese encyclopedie

Vroeger, heel lang geleden, gaven de hoogleraren college aan huis. Thorbecke liet daarvoor nog een schuurtje in de tuin van zijn Leidse woning bouwen. Maar het aantal hoogleraren was toen nog zeer gering en de Senaat bestond nog, dus de heren kwamen elkaar ongetwijfeld wel eens tegen. Van dat gemeenschappelijke sociale leven van universitaire docenten was weinig meer over toen ik mijn eerste aanstelling kreeg in Leiden. De studentenrevolutie (of beter gezegd: de angst van de Hollandse bestuurderen voor een mogelijke studentenopstand) had er voor gezorgd dat de Senaat in mist was opgegaan.

Bovendien waren niet alleen de medewerkers, maar ook de hoogleraren niet altijd nog ruimbehuisd genoeg om thuis te studeren, laat staan college te geven, zodat de Universiteit door de hele stad panden opkocht om daar evenzovele instituten in te vestigen. Sommige instituten waren natuurlijk ouder, ook in de Faculteit der Letteren. Het Sinologisch Instituut waar ik kwam te werken was al gesticht in 1930, en de mondelinge overlevering wilde dat in dat jaar de boeken in het Chinees en op het terrein van de sinologie door de studenten op bakkerskarren van de Universiteitsbibliotheek naar hun nieuwe behuizing waren overgebracht.

In de jaren zeventig was het in Leiden voor een medewerker van een willekeurige vakgroep in de Faculteit der Letteren mogelijk om zich te wijden aan de wetenschap binnen de muren van het eigen instituut zonder weet te hebben van wat er gebeurde in de rest van de faculteit, tenzij men zonodig lid moest worden van de Faculteitsraad of een van de facultaire commissies. Er was trouwens heel weinig reden om zich zo uit te sloven, want het geld werd toch uit Den Haag met bakken over de instellingen uitgestort. Zolang je leven niet vergald werd door marxistische betweters of methodologische scherpslijpers, waren dat idyllische tijden.

Maar zo mocht het natuurlijk niet blijven. De Universiteit wilde af van het beheer van de langzamerhand opgebouwde wonderlijke verzameling van oude kavaljes en krotten en wenste een grotere wisselwerking tussen de verschillende onderdelen van de geesteswetenschappen. Het eerste plan, dat voorzag in de bouw van een betonnen toren van honderddertig meter hoog, haalde het niet, maar een later plan op een menselijker maat werd wel gerealiseerd en sinds 1982 zijn de Leidse geesteswetenschappen geconcentreerd op het zogenaamde Witte Singel/Doelen terrein en zo zal dat (voorlopig althans) ook blijven.

Nog steeds is het natuurlijk voor lieden met oogkleppen op mogelijk om de wetenschap uitsluitend binnen de muren van de eigen opleiding te beoefenen, maar de fysieke nabijheid maakt het sinds 1982 heel moeilijk om de collega's altijd te vermijden. Die nabijheid heeft ook zijn voordelen: als je toch zo'n vreemde collega tegen het lijf loopt, kun je hem of haar ook nog eens wat vragen. Zo ben ik in de afgelopen jaren herhaaldelijk aangesproken door collega's of ik ze niet kon helpen aan een verwijzing voor de Chinese encyclopedie. Aanvankelijk reageerde ik dan steeds nogal verbaasd, maar begon dan dienstvaardig aan een minicollege over de rijke Chinese encyclopedische traditie. De teleurstelling was dan al spoedig af te lezen op het gelaat van mijn gesprekspartner, die zich plotseling andere verplichtingen herinnerde en zich verder haastte.

Pas na een of twee van deze ontmoetingen drong het tot mij door dat de hooggeleerde en zeergeleerde collega's niet gedreven werden door een prangende nieuwsgierigheid naar de Chinese cultuur, maar dat zij, meer welbelezen in de werken van Franse maîtres de pensée, kennis hadden genomen van Michel Foucaulds Les mots et les choses (of althans het voorwoord), waarin hij de willekeur van ieder ordeningssysteem dat ons denken aan de wereld oplegt aantoont door de indeling van het dierenrijk in een Chinese encyclopedie aan te halen. Die indeling is de lezers van deze rubriek ongetwijfeld bekend, maar te mooi om niet nog eens te citeren: a) toebehorend aan de Keizer, b) gebalsemd, c) getemd, d) speenvarkens, e) zeemeerminnen, f) fabeldieren, g) zwerfhonden, h) die welke in deze classificatie zijn opgenomen, i) die welke te keer gaan als dwazen, j) ontelbare, k) die welke zijn getekend met een heel fijn kameelharen penseel, l) enz., m) die welke net een vaas hebben gebroken, en n) die welke in de verte op vliegen lijken.

Foucauld ontleende zijn voorbeeld van een Chinese encyclopedie aan het werk van Borges, die in zijn verhaal `De analytische taal van John Wilkins' zich voor deze indeling beroept op de Duitse sinoloog dr. Franz Kuhn. Franz Kuhn was van de jaren twintig tot de jaren vijftig een uiterst productief vertaler van traditionele Chinese romans; zijn bewerkingen behaalden niet alleen in het Duits geweldige oplagen, maar werden ook in vrijwel alle Europese talen hervertaald. Op het terrein van de Chinese wetenschapsgeschiedenis heeft hij zich echter nooit bewogen en de Chinese encyclopedie met de fraaie titel Hemels Emporium van welwillende kennis is dan ook een mystificatie die ontsproten is aan het vruchtbare brein van Borges zelf. Die geeft dat zelf ook aan door even later in hetzelfde verhaal te spreken over `de onbekende (of apocriefe) Chinese encyclopedist'.

Nu is het in de wetenschap geen gebruik om fictie als gezaghebbende bron te citeren en wat mijn collega's van mij wensten ter afronding van een voetnoot was dan ook de titel van het artikel of boek van Kuhn waar Borges zich op had gebaseerd. Aangezien die publicatie van Kuhn al net zomin bestond als het classificatieschema van het Hemels Emporium van welwillende kennis, kon ik mijn collega's niet van dienst zijn. Wordt China eens aangehaald in een echt boek en dan kan een sinoloog je niet eens vertellen waar het vandaan komt, kon je hen zien denken.

Het Hemels Emporium moge dan niet bestaan, dat betekent niet dat China geen lange encyclopedische traditie kent. De oudste bewaarde voorbeelden dateren uit de zesde en zevende eeuw, maar gaan al weer terug op oudere voorbeelden. Het oogmerk van deze werken was een systematische samenvatting te geven van de beschikbare kennis - ten behoeve van de schrijver die op zoek was naar citaten ter onderbouwing van zijn betoog. De teksten onder de opeenvolgende lemmata zijn dan ook niet nieuw geschreven door de samensteller van de betrokken encyclopedie, maar bestaan uit excerpten uit oudere werken, gerangschikt naar periode en genre. Een Chinese encyclopedie biedt dus niet zozeer een synthese van de kennis betreffende een gegeven onderwerp op het moment van compilatie, als wel een overzicht van wat er in het vroege en recente verleden over dat onderwerp is gedacht en geschreven, in proza en dicht.

Het Chinese systeem heeft daarmee een duidelijk voordeel: wie wil weten wat een willekeurig schrijver over een gegeven onderwerp te berde heeft gebracht vindt het in de encyclopedie uitvoerig in de eigen woorden van die schrijver en hoeft het niet nog eens in diens verzameld werk na te trekken. Het omgekeerde is dikwijls het geval: het verzamelde werk van vele vroege schrijvers zoals dat thans in omloop is, is in vele gevallen grotendeels samengesteld uit materiaal in oude encyclopedieën. Meestal is de indeling van zo'n Chinese encyclopedie thematisch, maar het komt ook wel voor dat men kiest voor de indeling op trefwoord volgens het standaard rijmwoordenboek, de Chinese tegenhanger van onze alfabetische indeling. De liefhebbers van het genre verwijs ik voor een korte inleiding naar Michael Loewe's The Origins and Development of Chinese Encyclopedia's (London: The China Society, 1987); wie een grondiger overzicht zoekt kan sinds kort terecht bij Christoph Kaderas, Die Leishu der imperialen Bibliothek des Kaisers Qianlong (Wiesbaden: Harrasowitz, 1998).

De thematische indeling van een gemiddelde Chinese encyclopedie is na Borges en Foucauld van een teleurstellende alledaagsheid. Het onderwerp dieren wordt dikwijls pas in de laatste hoofdstukken behandeld. In de Chuxue ji (Materiaal voor eerste studie), een compacte encyclopedie uit de eerste helft van de achtste eeuw, worden de dieren verdeeld in vier hoofdgroepen: landdieren, vogels, waterdieren en insecten. Binnen de eerste groep is de volgorde: leeuw, olifant, eenhoorn, paard, buffel, ezel, kameel, schaap, varken, hond, hert, haas, vos, rat en aap. Bij de vogels is de volgorde: feniks, kraanvogel, kip, arend, kraai, ekster en gans. Bij de waterdieren beperkt deze encyclopedie voor de scholier zich tot draak, vis en schildpad, en bij de insecten tot krekel, vlinder en glimworm. In uitvoeriger encyclopedieën worden deze lijsten tot in het haast oneindige uitgebreid. De classificatie moge zich niet altijd richten naar de meest moderne wetenschappelijke inzichten in de zoölogie, maar toont wel een zeer sterke overeenkomst met thematische indelingen die elders ter wereld zijn bedacht. Blijkbaar legt de werkelijkheid toch tot op grote hoogte haar orde op aan ons denken.

Ik weet inmiddels dus wat mijn collega's beweegt wanneer ze mij een vraag stellen over de Chinese encyclopedie. Wat mij echter in toenemende mate is gaan verwonderen, is het feit dat mijn collega's, vaak geleerden van naam en faam die zich in hun eigen onderzoek bezighouden met heel andere culturen dan de moderne Westerse cultuur, blijkbaar toch zo gemakkelijk bereid zijn te geloven dat in een willekeurige cultuur buiten hun gezichtsveld de fantasie van Borges werkelijkheid zou kunnen zijn, dat daar een andere logica zou gelden. Als dat voor hen al opgaat, hoeveel te meer moet dat dan wel niet opgaan buiten deze kringen van intellectuelen. Natuurlijk, culturen verschillen, maar in wezen meestal veel minder dan wij denken.