Cannes stelt soms hoge eisen aan de kijker

Ook Engeland kende zijn mini-Dreyfuss-affaire, toen in 1908 de dertienjarige rooms-katholieke cadet George Archer-Shee van de marine–academie werd gestuurd wegens verduistering van een postwissel van vijf shilling. De vader van de jongen, overtuigd van zijn onschuld, begon een proces tegen de onfeilbare, want direct aan de Kroon verbonden militaire autoriteiten, en jarenlang was de zaak inzet van heftige discussies, tot in het Lagerhuis toe, en onderwerp van vele spotprenten en liedjes. Terence Rattigan schreef er in 1946 een toneelstuk over, The Winslow Boy, dat tweemaal verfilmd werd: in 1950 door Anthony Asquith en dit jaar door David Mamet. De Amerikaanse scenarist en regisseur van scherpe, maatschappijkritische en gestileerde verbale drama's lijkt een onwaarschijnlijke kandidaat om een Edwardiaans Kammerspiel te verfilmen. Maar zijn versie van The Winslow Boy is toch tegelijkertijd een en al Brits understatement én venijnig Mamet-materiaal. De verfijnde dialogen en half uitgesproken suggesties eisen van de kijker gevoel voor klassenverhoudingen en inzicht in maatschappelijke en politieke gevoeligheden van bijna een eeuw geleden.

Bij de meeste bezoekers van het festival van Cannes, waar de film voor het eerst vertoond wordt, zal dat wel lukken, maar je realiseert je hoe gehandicapt je bent, als in dezelfde festivalsectie een Chinese film vertoond wordt over maatschappelijk gevoelige onderwerpen in de huidige Volksrepubliek: urbanisatie, illegale immigratie, prostitutie en georganiseerde misdaad. So Close to Paradise van de jonge regisseur Wang Xiaoshuai (hij maakte eerder The Days en Frozen) vertelt een in onze ogen niet bijster origineel gangstermelodrama over een koelie en een ritselaar, die beiden uit hetzelfde dorpje naar de grote stad Wuhan zijn gekomen. Daar komen ze in contact met een Vietnamese nachtclubzangeres, die bij een razzia opgepakt wordt en op de televisie als slecht voorbeeld aan de schandpaal wordt genageld. De intense en heftige stijl van So Close to Paradise lijkt niet op wat we gewend zijn van films uit de Volksrepubliek China, maar het ontbreekt ons aan kennis van zaken om de film echt goed te kunnen duiden.

En toch zijn er in Cannes ook films te zien uit relatief onbekende culturen die wél direct universeel aanspreken. Van het eiland Kish in de Perzische Golf, waar de Afrikaanse bevolking Farsi spreekt en het in december voorjaar wordt, had ik nog nooit gehoord, totdat ik het vandaag twee keer tegenkwam: in een folder van het in december voor het eerst te houden filmfestival van Kish en (toeval?) als onderwerp van het Iraanse drieluik Verhalen van Kish, geregisseerd door Nasser Taghvaï, Abdolfazl Jalili en Mohsen Makhmalbaf. De bijdrage van de laatste, tevens beroemdste filmer, heet De deur en is een surrealistisch juweeltje over een man die met een houten deur op zijn rug door de woestijn loopt. Dan komt de postbode aangefietst, klopt op de deur en vraagt of hij binnen mag komen.

Iedereen weet wie Adolf Hitler, Eva Braun en Joseph Goebbels waren, drie van de hoofdpersonen in Aleksandr Sokoerovs Moloch, een groteste tragikomedie gesitueerd in een Wagneriaans spookkasteel. Desondanks is de in schimmige videobeelden gevatte, droomachtige stijloefening, waarin Russische acteurs worden nagesynchroniseerd door de Duitse hoorspelkern, een film die slechts de diehards onder de Sokoerov-liefhebbers (tegenwoordig vooral te vinden in de museale wereld) zal kunnen bekoren.