Zo begin je een opera

De Céramique-wijk in Maastricht is volop in aanbouw. De architectuurtentoonstelling die hier verrijst, begint spectaculair.

,,De plaatsen van mijn liefde zijn niet aangestoken door de winkelhausse.'' Iemand die zoiets zegt, draagt het hart voor de stedelijke cultuur op de juiste plaats. De Limburgse architect en stadsontwerper Jo Coenen laat deze regel spontaan uit zijn mond vallen, na de vraag waarom alle Nederlandse binnensteden zo op elkaar lijken. Coenen is als supervisor betrokken bij stedelijke ontwikkelingen in onder andere Tilburg, Eindhoven, Venlo, Den Haag, Groningen, Amsterdam en Maastricht. ,,Wat de stad betreft heb ik een melancholische hang naar wat geweest is. Er zijn niet veel collega's die deze neiging delen. Het is een ambassadeursrol die bijna niemand uit ons vakgebied vertolkt. Een rol die ook niet erg populair is bij architectuurtijdschriften, niet sexy genoeg. Geen fantastisch ogende artists impressions. Bovendien gaan de meeste plannen die ik voor al die steden bedenk, niet door.''

De belangrijkste preoccupatie van Coenen is dat `winkels, bedrijven en ook woningen mooi kunnen landen in een gezamenlijk ensemble'. Iedereen die zich professioneel met stad en stadsleven bezig houdt zou dit moeten aanspreken. Coenen merkt daar niets van. ,,Échte kenners van die processen, ontwerpers, sociaalgeografen, psychologen voor mijn part, zijn er niet bij betrokken. Het zijn de niet-kenners die de dienst uitmaken, de beleggers, de projectontwikkelaars die niet meer dan gepolijste makelaars zijn. En natuurlijk V&D en de Bijenkorf, met die jongens zit ik vaak om de tafel.''

De meeste stadsontwerpen van Jo Coenen komen niet verder dan de tekentafel of de computer maar de Céramique-wijk in Maastricht is volop in aanbouw. De plattegrond die hij tekende voor het nieuwe stadsdeel dat verrijst op het vroegere terrein van de porseleinfabriek Sphinx Céramique, laat onbekrompen klassieke trekken zien. Als Coenen een stad ontwerpt, denkt hij aan Villa Hadriana in Tivoli, aan de Campo Santo in Pisa, aan historische gebouwen-ensembles in Milaan, Bologna en Turijn.

Op een paar minuten lopen van het station – wij blijven aan de `verkeerde' oever van de Maas – opent links, aan het einde van de Wilhelmina Singel, de Zwitserse architect Mario Botta met een imposante paukenslag de architectuurtentoonstelling die hier in staat van wording is. Zijn woontoren `Fortezza' bestaat uit een rond middengebouw en is met twee identieke zijvleugels geheel symmetrisch. De uitvoering in uitsluitend rood baksteen is even meedogenloos als de vorm. Zo begin je een opera. Fortezza geeft ook het startsein van de Avenue Céramique, een ruim veertig meter brede bomen-allee, met aan weerszijden een geometrisch netwerk van stadsblokken, pleinen en binnenhoven. Coenen heeft het gelukkig aangedurfd om een circus maximus (230 meter lang en 76 meter breed) te ontwerpen en een kleiner circus verderop. Op de tekening hebben beide circussen groene middenvelden en een hoefijzer van bouwblokken die nu al gedeeltelijk zijn voltooid. Een `Stoa' in de vorm van een rechte lijn met repeterende woningbouw loopt parallel aan de Maasoever en verbindt de `noordknoop' met de `zuidknoop'.

Ovengebouw

Even een terugblik. De zuidpunt van het Céramique terrein, naast de Kennedybrug over de Maas, wordt gemarkeerd door het in 1995 geopende Bonnefantenmuseum, ontworpen door de Italiaanse architect Aldo Rossi. Samen met de als industrieel monument bewaard gebleven Wiebengahal, een oud ovengebouw dat ook een museale functie heeft gekregen, refereert de robuuste, fabrieksmatige vormgeving van het Bonnefantenmuseum aan het rijke keramische verleden van Maastricht.

De noordknoop kan vanaf volgende week bogen op een gebouw van een even hoogwaardige culturele architectuur. Op 18 mei opent de nieuwe bibliotheek die is gecombineerd met het stadsarchief en een magistrale stadshal waarin een deel van de aardewerkcollectie van de Sphinx permanent staat opgesteld. Het `Centre Céramique' is door Jo Coenen ontworpen. Als pendant van de Wiebengahal bleef bij de bibliotheek de oude bordenfabriek bewaard. Met behoud van de gietijzeren roos- en boogvensters, het halfglazen zadeldak en wat verder mooi is aan een uit eerlijk baksteen gemetselde fabriekshal, maakte Coenen de werkplaats geschikt voor de Maastrichtse theatergroep Het Vervolg.

Aan de andere kant van de Maas, de middeleeuwse zijde met het Vrijthof, de Stokstraat, de terrassen van het Onze Lieve Vrouweplein, huist de firma `Jo Coenen & Co – Architekten' in het voormalige St. Servaasklooster. Het complex is licht, ruim en onwaarschijnlijk rustig. Aan de achterkant geven grote ramen uitzicht op een parkachtige, intens groene tuin en op een Bologna-rood geverfde baksteengevel, dezelfde kleur die Aldo Rossi gebruikte voor zijn onweerstaanbare architectuur-aquarellen.

De g van Jo Coenen (Heerlen, 1949) is aangenaam zacht, de toon mild docerend, wat niet verwonderlijk is. Onderwijzen doet hij al ruim tien jaar, onder andere aan de Technische Universiteit van Karlsruhe.

,,In 1987 is het plan voor Céramique in drie maanden getekend. Met veel geweld is het indertijd in de media naar buiten gebracht. Dat was noodzakelijk omdat er hevig om subsidies werd gestreden. Wij moesten opboksen tegen de Kop van Zuid in Rotterdam en de Amsterdamse IJ-oevers.

,,Ik wist aanvankelijk niet hoe ik samenhang in het geheel moest creëren. Daarom ben ik maar begonnen met een immens grote maquette. Ik dacht: als het niet op elkaar aansluit, als het niet past, dan ziet iedereen dat direct en krijg ik commentaar. Om te beginnen ging het om de ABP-projectontwikkelaar en de gemeente. In architectuur en stedenbouw draait het altijd om een samenzwering. De kongsi tussen ontwerper, geld en stad. Die drie moeten elkaar voortdurend aandrijven en opjutten.''

Kluiten

Om in de werkelijkheid de samenhang te ontdekken, is nog niet mogelijk. Veel bouwwerken zijn nog niet klaar en het groen dat in het masterplan de architectuur samenbindt, is voor deze bovennatuurlijke taak nog onvoldoende uit de kluiten gewassen. Coenen heeft er recht op dat zijn stedelijk ensemble met bijdragen van internationale grootheden als Rossi, Siza, Snozzi, Botta, Martorel, Bohigas en de zuid-Nederlandse en Belgische ontwerpers Arn Meijs, Harry Gulikers, Hubert-Jan Henket, Theo Teeken, Wiel Arets, Bob van Reeth en Bruno Albert pas wordt beoordeeld als de laatste stoeptegel is gelegd.

Coenen: ,,Op een gegeven moment begon het op te vallen dat Céramique niet opschoot. Daar waren allemaal redenen voor, vervuilde grond die tevoorschijn kwam, ontwerpen die niet deugden. Het was een moeizaam proces, ook omdat ik wilde voorkomen dat het een kermis zou worden. De ware opdrachtgever is er eigenlijk niet. Iemand die zich erom bekommert dat die ene steenkleur ècht die ene steenkleur wordt, die ene mooie voeg ècht die ene mooie voeg. Iemand met de macht om af te keuren.''

Hij zegt het niet met zoveel woorden, maar die macht heeft Coenen zich in de loop der jaren toegeëigend, gesteund door die andere twee krachten in de driehoek van de samenzwering. Maar ook dat ging niet altijd even gemakkelijk. Terwijl de culturele bestemming met het Bonnefantenmuseum in de zuidelijke hoek was gewaarborgd, kwam iets vergelijkbaars in de noordknoop niet van de grond. Jo Coenen: ,,Tot ik Job Cohen in de trein tegenkwam. Hij was toen de baas van de universiteit in Maastricht en over een nieuwe bibliotheek werd al langer gepraat. Er bestond een plan met een boekentoren, maar die toren was te hoog volgens de wethouder. Met Cohen heb ik toen besproken hoe de bibliotheek met de ook door mij zo gewenste openbare stadshal gecombineerd zou kunnen worden. In dezelfde tijd kwam ik iemand van de toneelclub Het Vervolg tegen. Die wilde een nieuw theater. Er ontspon zich een keten van gebeurtenissen, met als resultaat het ensemble dat nu luistert naar de naam Céramique-gebouw en loopt van het Maaswater tot de allee. De stad heeft enorm zijn best gedaan om het te realiseren. Het openbare plein tussen het gebouw en de Maas wordt de toetssteen van al mijn plannen. Gouden eurotekens zijn in de grijze tegels gevat, het stadsplein moet ook betaald worden.''

Als Jo Coenen een bibliotheek moet maken, gaat hij te rade bij de Stockholmse stadsbibliotheek uit 1928 van Gunnar Asplund. Bovendien denkt hij verlekkerd aan de `golvende versmeltingen' van de Berlijnse `Philharmonie' (1963) van Hans Scharoun. Ook het transparante beeld van het recent gebouwde Carré d' Art van Norman Foster in Nîmes bleef in zijn geest hangen. Stuk voor stuk inspiratiebronnen die in Centre Céramique zijn terug te vinden. Met de opvallend slanke kolommen die de uitkragende bovenbouw schragen heeft het grote gebouw de elegantie en transparantie van Fosters cultuurcentrum in Nîmes gekregen. Op de vraag wat de grootste ontwerpproblemen bij de bibliotheek annex stadshal waren zegt Jo Coenen:

,,Om te beginnen natuurlijk de eeuwige budgettaire haalbaarheid. Het tweede probleem was de waterhoogte. De Maas treedt eens per honderd jaar uit zijn oevers, maar de laatste vijf jaar is het al drie keer gebeurd. In de kuip die wij hebben moeten bouwen is dus heel veel geld gaan zitten. Het derde probleem was dat in het programma van eisen staat dat het gebouw eventueel een kantoor moet kunnen worden. Flexibel is tegenwoordig het toverwoord. Deze eis is nooit uit het programma verdwenen, maar ik heb er geen rekening mee gehouden. Ongehoorzaam geweest. Ik heb onschuldig getekend. Niet teveel details. Hoe droger, of liever gezegd hoe dommer je het tekent, hoe eerder je het plan er doorheen krijgt.''

Coenen had nog een handicap: ,,Als je deze bouw met dit budget moet maken, ben je verplicht om systeembouw te gebruiken. Dat wil zeggen: kolommen van een vaste maat en op vaste afstand en de elementen zodanig stapelbaar dat de winst zit in de bouwsnelheid. De creatieve remming die dit systeem behelst, ben ik te lijf gegaan door asymmetrisch te werken. Door gaten en uitzichten in die simpele bouwsystemen te maken, vides te garanderen. Zo heb ik het schrikbeeld van de monotone grandbazar bevochten. Maar het moet ook rustig blijven en dat is het moeilijkste wat er is. Een afwisselend beeld maken dat tevens stil is en sereen. Ik geloof dat ik daarin geslaagd ben. Het betekende bijvoorbeeld dat geen enkele leiding in het zicht mocht komen. En geen systeemplafonds zoals aanvankelijk de bedoeling was. Alle plafonds zijn gestucadoord.''

Dat laatste zegt hij met een stralende blik in zijn ogen. Terecht beschouwt hij het als een van zijn grootste triomfen dat het hem is gelukt om het verwoestende fenomeen systeemplafond te weren uit deze uiterst zorgvuldig vormgegeven, ruimtelijke compositie. Met het Centre Céramique bewijst Coenen hoe meesterlijk hij de kunst verstaat om architectuur vanzelfsprekend licht te maken.