Zalm ontkent dubbelrol bij verkoop NIB

Minister Zalm van Financiën vindt dat hij bij de verkoop van de Nationale Investeringsbank (NIB) geen dubbelrol heeft gespeeld. De rol van de Nederlandse staat als aandeelhouder in de NIB staat volgens hem los van de afwijzing van een verzoek van mede-aandeelhouder ING.

Dit schrijft Zalm aan de Tweede Kamer in een afgelopen woensdag verzonden brief, waarin wordt gereageerd op ,,publiciteit'' en ,,berichten in de pers''. Een brief over de opbrengst van de aandelen van de staat (een pakket van ongeveer 35 procent) in de NIB, die voor ongeveer 4,5 miljard gulden wordt verkocht aan de pensioenfondsen ABP en PGGM, volgt later. Dat Zalm daarop niet heeft gewacht, komt volgens ingewijden doordat de minister erg gepikeerd is over de `dubbele pet' die hem is toegeschreven.

Nadat de staat en de pensioenfondsen al in december 1998 tot een vergelijk waren gekomen over de verkoop, maakten drie aandeelhouders bezwaar tegen het in hun ogen te lage bod: de bankverzekeraars ING en Fortis en de verzekeraar Stad Rotterdam (ARS). Deze drie `afstandelijke' beleggers kunnen in principe geen stemrecht uitoefenen op hun aandelen, tenzij door de minister van Financiën een verklaring van geen bezwaar is afgegeven.

Alleen ARS kreeg zo'n verklaring, maar om bij de verkoop het eigen aandeelhoudersbelang te kunnen verdedigen wilde ING bij de verkoop van NIB zijn stemrecht kunnen uitoefenen.

Zalm heeft deze ontheffing echter geweigerd. In de kranten NRC Handelsblad en het Financieele Dagblad werd daarop gewezen op een dubbelrol van de minister: Zalm is als groot-aandeelhouder akkoord gegaan met de verkoop en verbiedt vervolgens als toezichthouder de andere aandeelhouders, die niet akkoord gingen, hun aandeelhoudersbelang uit te oefenen. Volgens Zalm is de weigering een ontheffing te verlenen echter staand beleid en krijgen financiële conglomeraten met het oog op ,,tegengaan van machtsconcentraties'' nooit stemrecht als zij een belegging doen in een andere financiële instelling.

Op de vraag op dit beleid, gebaseerd op de wetten voor het krediet- en verzekeringswezen, ook geldt bij verkoop van de aandelen, wordt niet ingegaan. Volgens Zalm waren de Verzekeringskamer en de De Nederlandsche Bank het ook niet oneens over zijn besluit. Beide instellingen adviseerden ,,andersluidend'', niet ,,verdeeld''.