Wie te veel omhelst, houdt weinig vast

Elie van Rijckevorsel was rijk. Hij reisde en kocht voor zijn genoegen. Wat hij kocht is te zien op een overzicht van weldoeners van Museum Boijmans Van Beuningen.

Bij Baarn heeft begin deze eeuw een bizar kasteeltje gestaan. Iets tussen een `middeleeuws rooversnest en een modern landhuis' in. Vraag niet hoe het er precies uitzag, want zij die het kunnen weten, weten het niet. De eigenaar was Elie van Rijckevorsel (1845-1928), een rijke rederszoon uit Rotterdam, die zomaar vijf hectare heidegrond in de schoot kreeg geworpen. Dan maar een zomers buiten bouwen, moet hij gedacht hebben. Met zijn vrouw Jacoba Kolff, koosnaam Kobus, met wie hij op 64-jarige leeftijd was getrouwd, bracht hij er zijn laatste zomers door. Na zijn dood moest het nest met de grond worden gelijkgemaakt. En die wens is geëerbiedigd.

Dankzij Dirk Hannema (1895-1984), de directeur van Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam die elke havenbaron tot een potentiële leverancier van kunst of geld wist om te vormen, weten we wel precies hoe je bij dat kasteeltje moest komen. ,,Eerst met de trein naar Driebergen, waar een coupétje wachtte dat in een half uur tot midden op de heide reed. Het was dan nog een twintig minuten wandelen naar het eenzaam gelegen huis.'' In de verte hoorde je dan een aanhoudend `oehoe, oehoe': de lokroep van Kobus, die haar gasten tegemoet liep om ze voor noodlottige dwaaltochten te behoeden.

De Rotterdamse patriciër Elie van Rijckevorsel behoort tot de vroegste grondleggers van Museum Boijmans Van Beuningen. In juli viert het museum zijn honderdvijftig jarig bestaan, maar vanaf volgende week presenteert het al een overzicht van zijn twaalf meest vooraanstaande weldoeners. Wat schenkingen betreft neemt Van Rijckevorsel kwantitatief niet de prominentste plaats in. Die behoort toe aan F.J.O. Boijmans, die het museum meer dan duizend schilderijen, duizenden tekeningen en net zo veel stukken kunstnijverheid cadeau gaf. In 1864 zouden ze voor een flink deel door brand verloren gaan. Niet minder dankt het museum aan havenbazen als D.G. van Beuningen en W. van der Vorm. Van Beuningen schonk topwerken, van De Toren van Babel van Pieter Brueghel de Oude tot een Picasso. De arts J.C.J. Bierens de Haan verrijkte het prentenkabinet met duizenden bladen. En dankzij de tienduizend bodemvondsten van H.J.E. Beuningen (neef), van Middeleeuwen tot 1800, weten we veel meer over huis, tuin en keuken van vele vorige generaties.

,,Elie van Rijckevorsel moet een eenzaam man zijn geweest'', zegt de Rotterdamse zakenman Maarten Hudig. Als voorzitter van de Erasmusstichting beheert Hudig het vermogen van Van Rijckevorsel. Jaarlijks ontvangen zo'n honderd Rotterdamse instellingen – wetenschap, kunst en onderwijs – een paar duizend Van Rijckevorsel-guldens: van het Schoolmuseum tot het Dockyard Mannenkoor. Voor het Rotterdams Philharmonisch Orkest schafte de stichting onlangs een `Stradivarius' aan. ,,Aan grote, anonieme projecten geven we niks. Soms helpen we iets aardigs van de grond te krijgen; u moet het zien als een ouderwetse pomp waar je eerst wat water in moet gieten om hem aan de praat te krijgen. Dat water leveren wij'', aldus Hudig, die torenhoog, vanachter een glazen wand, over de groenten- en fruithavens uitkijkt.

,,Elie van Rijckevorsel was een briljante én een naïeve man'', zegt Joh. R. ter Molen, nu nog adjunct-directeur van Boijmans Van Beuningen, straks directeur van Paleis Het Loo bij Apeldoorn. Als grondig kenner van de collectie stelde Ter Molen de jubileumtentoonstelling samen. Dat `naïeve' heeft onder meer betrekking op de Roodkapje-schilderingen. Eenmaal op leeftijd beschilderde Van Rijckevorsel een van zijn vorstelijke woonvertrekken met scènes uit dat sprookje. Ook daar is, net als van dat kasteeltje, geen spetter meer van over.

Ludwig

Rijk, eenzaam en naïef: Van Rijckevorsel lijkt wel een Hollands achterneefje van de zonderlinge koning Ludwig van Beieren. Maar dat is een misverstand. Niemand van de Boijmans-verzamelaars reisde zoveel, tekende zoveel en droeg in educatieve en culturele zin zoveel bij aan de Rotterdamse gemeenschap. Achttien jaar lang had hij zitting in de gemeenteraad. In zijn eentje financierde hij de bouw van de openbare bibliotheek, hij initieerde bewaarscholen, een eerste huishoudschool en een eerste instelling voor geestelijk gehandicapte kinderen. Veel schonk hij anoniem, blijkbaar onder het bijbels motto: `Doe goed, en kijk niet om!'

Het jarige Boijmans pronkt nu met gegraveerde en gevleugelde Venetiaanse glazen, met oosters porselein en met meubels uit Indonesië waar je wegens de bloemenzee aan houtsnijwerk nooit op zou durven zitten. Van de 18de-eeuwse Lady Harvey's Glass, een pronkroemer van ruim vijftig centimeter met een gegraveerd gezicht op Hamburg, bestaat maar één equivalent op de wereld. Nooit eerder zijn me in Boijmans de `Humpen' opgevallen, reusachtige glazen bierpullen, waarop 18de-eeuwse `Dirnen' in emaille-verf een vreugdedansje maken. Net zo ongeschonden ogen de drie zachtgele, Chinese keramische vazen, ingehouden toegedekt met zachtblauwe fantasie-dahlia's

De herkomst van deze kleine selectie uit de honderden glas- en porseleinstukken die Van Rijckevorsel het museum anoniem schonk, is niet helder. Vermoedelijk komt het glas uit de familie, zoals ook de voorouders van Maarten Hudig dergelijke stukken in bezit hadden. Met dat verschil dat bij het bombardement op Rotterdam in mei 1940 zowel het glas als `de hele Atlas Major van Blaeu' van de Hudigs verloren ging. ,,Volgens de overlevering vond mijn overgrootvader het heerlijk om die 17de-eeuwse atlassen zelf in te kleuren'', vertelt Hudig.

In aparte biografische kabinetten, die elke Boijmans-collectioneur een gezicht moeten geven, ligt bij Van Rijckevorsel straks nog een lap uitgestald: batik uit Indonesië. Het Rotterdamse Museum voor Volkenkunde, tot najaar 2000 wegens uitbreiding gesloten, herbergt zo'n duizend batiks, koppensnellers-messen, zwaarden, verentooien en andere voorwerpen uit de Indonesische archipel en Zuid-Amerika, allemaal aangevoerd door die ene rederszoon.

,,In geen enkel ander museum vind je zulke mooie batiks als hier'', vertelt conservatrice A.M.L.R. Djajasoebatra. Ze rolt in het depot, een machtig betonblok aan de rand van de stad, een van de ruim tweehonderd batiks uit: een in blauwen en baksteenrood beschilderd exemplaar uit Java. Weelderig gevulde bloempotten gaan in dartelende lijnen over in paradijsvogels en varkentjes. Uit een van de honderden andere depotkasten komt nog een kris te voorschijn waarvan de schede zo dik is belegd met goud en diamanten, dat je aan een vervalsing gaat denken.

,,De volkenkundige musea van Leiden en Amsterdam bezitten vooral oorlogsbuit. Rotterdam kreeg veel schenkingen van missionarissen, maar die waren altijd straatarm'', aldus Djajasoebatra. ,,Dankzij Van Rijckevorsel kunnen we dus ook zeer kostbare krissen laten zien. Hij was een man met smaak, die aankocht wat hem aansprak en het ook nog goed documenteerde.'' Temeer omdat de anders gekleurde mens in die tijd nog tweederangs werd bevonden, hadden weinig reizigers oog voor deze inheemse kunstnijverheid. Het scheelde niet veel of het was een wereldprimeur toen in 1878 al die messen, pijlen, schilden en batiks van Van Rijckevorsel tentoongesteld werden in de Koninklijke Nederlandse Yacht-club, het latere Museum voor Volkenkunde in Rotterdam.

Bloedzuigers

Elie van Rijckevorsel was een van de vier kinderen van Huibert van Rijckevorsel (1813-1866) en Elise Suzanne Schmidt (1821-1893) en de enige die zijn jeugd overleefde. Zijn vader – Huib, voor Rotterdammers – was een eerzuchtig koopman en een machtig netwerker, zowel in Den Haag als ook bij de Nieuwe Rotterdamsche Courant, waarvan hij mede-eigenaar en directielid was. Concurrenten nam hij graag te grazen: `Zwol men vroeger van jalouzie, thans bèrst men!', aldus een brief. Twintig schepen liet hij over de wereld varen en steeds weer kwamen ze terug met een paar ruimen vol wilde dieren voor de diergaarden van Amsterdam en Rotterdam. Een economische depressie zou hem fataal worden. Zelfs bloedzuigers hielpen niet. Hij werd er letterlijk gek van en overleed in een Zwitserse inrichting.

Elie was intussen als een stil, beleefd jongetje opgegroeid. Op school hield hij zich afzijdig, maar na het regime van een verre kostschool lukte het een Rotterdamse gymnasiumleraar hem zo zeer bij de les te slepen, dat hij niets liever wilde dan `exacte wetenschappen' studeren. In Utrecht zou hij magna cum laude promoveren in de natuurkunde. Dankzij het financiële inzicht en de handelsgeest van zijn oom Hendrik Muller, ook al zo'n Rotterdamse zakenmagnaat, kon hij na de dood van zijn vader als een prins door het leven gaan. Een prins, die zijn verloving teniet deed door zijn adellijke vriendin doordeweeks even te verrassen met een rijtuigje plus paard. Ze nam meteen de benen. `Wie te veel omhelst, houdt weinig vast', schreef hij later.

Marmeren gangen

,,Dit is de mooiste koop die ik in mijn leven heb gedaan'', zegt de Rotterdamse makelaar Rob Ouwerkerk. We lopen door de marmeren gangen van diens kantoor aan de Parklaan 3, het vijf etages hoge herenhuis dat Elie met zijn moeder bewoonde. Ze lieten het bouwen in het voorname Scheepvaartkwartier, de lege Muizenpolder, die later Mezenpolder heette, naar de gefortuneerde familie Mees, en nog weer later Banketpolder, naar de snoepgoedfamilie Jamin.

Het rode pluche van de wanden is gesloopt. Roodkapje is weggekwast. Hemelbed en meubels zijn meer of minder rechtmatig door anderen meegenomen. Maar wat bleef is het trappenhuis vol accanthussen, zo mooi meanderend dat het hele pand er omheen geslingerd lijkt te zijn. Nog steeds staan daar de marmeren schouwen, de vergulde spiegels en de laat-middeleeuws vormgegeven kastenwand. Ook de matglazen medaillons met de portretten van Elie's natuurkundige helden, gegraveerd in de daklichten van Elie's `gouden kooi', de bibliotheek, vertonen geen enkel barstje.

Uit Indonesië werd het ebbenhout aangevoerd voor de barok geornamenteerde deuren. ,,Kijk even naar de scharnieren'', mompelt Ouwerkerk. Het blijken handgrote, wulpse engelen te zijn met vlinderdunne vleugels. En de deurknop is een naakt waarvan de koperen buik in de loop der tijd, dankzij de vele handdrukken, steeds uitnodigender is gaan glanzen.

Straks zal het `nieuwe' Museum van Volkenkunde eindelijk een zaal noemen naar Dr. Elie, zoals hij meestal werd aangesproken. Ouwerkerk is zo tevreden over zijn kantoorlocatie en over de honderd meter diepe tuin, dat hij een boek laat schrijven over de geschiedenis van het pand en zijn eerste en latere bewoners, zoals het Rotterdamsch Leeskabinet dat deze maand 140 jaar bestaat. Het kreeg destijds Van Rijckevorsels bibliotheek over Nederlands-Indië. Sommige onopengesneden boeken dragen nog steeds het initiaal O.B., een verwijzing naar de eerste opslagplaats: Onder het Bed.

De jonge Elie was tussen de zware lambrizeringen van Parklaan 3 zelden te vinden. Hij trok op eigen kosten `voor wetenschap en plezier' naar de Indische archipel en per stoomboot dwars door Brazilië. Vanwege zijn meteorologische en aardmagnetische metingen – op Java heette hij `inspekteur van de zon' – zou hij in Glasgow een eredoctoraat ontvangen. Op 55-jarige leeftijd voelde hij zich alsnog geroepen ambulancediensten te vervullen tijdens de Tweede Boerenoorlog in Zuid-Afrika. ,,Een reiziger tot in de uiterste consequentiën, cosmpoliet zóó volkomen, dat hij weinig meer had van ons Hollanders aangeboren liefde voor huis en haard'', zo vermeldde zijn necrologie.

Alle Brieven uit Insulinde, geadresseerd aan zijn moeder op de Parklaan 3, werden in 1878 gebundeld. Zeer levendig schrijft hij over zijn trektochten en dagelijkse belevenissen; van de residenten-ontvangsten vol `Oostersche pracht' tot de vraatzuchtige kakkerlakken en de `hevige koude in een armzalige hut'. Of het nu gaat over de architectuur, de flora en de danskunst of om de etiquette aan de vorstenhoven en de haaien in zee, Van Rijckevorsel nam zijn moeder feitelijk, maar beminnelijk bij de hand - van eiland naar eiland. Vrouwen spelen in het boek geen enkele rol en jammer genoeg maakt hij geen woorden vuil aan zijn batik-aankopen. Ook zoek je vergeefs naar zijn motieven. Hoe eenzaam was de `loner'?

,,Van Rijckevorsel was een escapist'', zegt de historicus Jan van Herwaarden, die aan de Erasmus Universiteit de Van Rijckevorsel-leerstoel bekleedt. ,,De gekte van zijn vader heeft hij zich als jongen blijkbaar zo aangetrokken dat hij niet al te diep in zijn innerlijk wilde graven. Hij werkte hard, hij beschreef wat hij zag en dat was niet gering.'' Dat harde werken bestaat uit 357 getekende ansichtkaarten, veelal verzonden aan zijn innige vriend Fré Schmidt, lijfarts van de familie, die ze binnen twee, drie dagen in zijn Rotterdamse brievenbus vond. In het najaar verschijnt een boek waarin alle ansichten staan gereproduceerd.

Elke kaart is een ode aan Italië, het land waar Van Rijckevorsel om gezondheidsredenen tijdens de winterse maanden, acht jaar lang, doorheen trok: van Palermo naar Florence, van Orvieto naar `het onuitputtelijk mooie' Amalfi. Met fijne pennetjes tekende hij – zoals zijn ouders ook hadden gedaan – rotskusten en kerktorens, spelonken en straatlantaarns, zonovergoten landwegen en eeuwenoude olijfbomen. Stuk voor stuk beeldschone reisminiaturen in rake inktlijntjes en volleerde arceringen en graderingen. Wat hij als bijschrift, weerbericht of oprisping kwijt wilde, drapeerde hij in een elegant handschrift om een vergezicht heen. Vaak is het er `heerlijk weder'; soms moet vriend Schmidt zich voorbereiden op `eenige jeremiaden', maar meestal beperkt hij zich tot een bondige opmerking over wat er getekend is, zoals `een massa Rocokooksels' in Bitonto en de Romeinse godinnen in Siracuse.

,,Als mediëvist ken ik Italië erg goed, en ook de plekken waar Van Rijckevorsel geweest is'', vertelt Van Herwaarden. ,,Het is heerlijk om met zo'n `gentleman of leisure' mee te reizen. Je zet je eigen ervaringen tegen hem af. Nog nooit ben ik in Amalfi geweest. Nu moet én zal ik er naar toe gaan!''

Zoals het Utrechtse kasteeltje, was ook het leven en de nalatenschap van Elie van Rijckevorsel even van de aardbodem verdwenen. Maar hij is teruggekeerd, zoals hij ook van elke gevaarlijke reis weer in de Muizenpolder thuiskwam. Of hij zich eenzaam voelde op reis, zoals Hudig veronderstelde, god mag het weten. Naïef was hij zeker, daarvan getuigen ook de vreemde, grijsblauwe tegeltableaux, eigen ontwerpen, in de gang van zijn woonhuis: een club moddervette putti's, die als Teletubbies avant-la-lettre in de weer zijn met koken, garneren en serveren. Maar `verstandig' was hij ook. `Die leeren wil moet vroeg opstaan', schreef hij als achtjarig jongetje in zijn schoolschrift. En hij hield zich eraan. ,,Wanneer men een goed werk gedaan heeft dan moet men dat niet uitbazuinen gelijk de schijnheilige Farizeën deden maar aanstonds tot andere goede daden overgaan.'' Ook dat stond in dat schriftje. Van Rijckevorsel is zichzelf trouw gebleven.

Tentoonstelling: 150 jaar Museum Boijmans Van Beuningen; 22/5 t/m 29/8. Museumpark 18-20, Rotterdam. Catalogus vanaf 3 juli, prijs f55,-. Symposium op 21/5; De particuliere verzamelaar en het museum met lezingen van o.a. Joh. ter Molen, Reesa Greenberg en Renée Steenbergen. Inl. 010-4419428/471.

Rotterdam kreeg veel van missionarissen, maar die waren altijd straatarm

In de gang: een club moddervette putti's, als Teletubbies avant-la-lettre