Wakkere meisjes zijn lastig

De `nooit geschreven brief' aan haar vader van Karima Ouchan (1969) is literair gezien geen bijzonder boek, maar het vertelt wel een zeer opmerkelijk levensverhaal van een Marokkaanse immigrantendochter. Ouchan werd geboren in Marokko, kwam op haar zevende met haar ouders mee naar Nederland, bracht daarna gedwongen door haar vader twaalf jaar door in Noord-Marokko, en keerde twee jaar geleden pas weer terug. In de derde klas van de middelbare school in Amersfoort was ze door haar vader naar Marokko verbannen omdat ze, in haar eigen woorden, te `wakker' was. En wakkere meisjes boezemen Marokkaanse vaders, maar ook huwbare Marokkaanse mannen, angst in. Zulke meisjes `zijn te mondig en te veeleisend. Dat is lastig voor mannen die al eeuwen gewend zijn de baas te zijn en de scepter te zwaaien.'

Ouchan voegde zich in Nederland niet naar de verboden die Arabische vrouwen worden opgelegd. Ze wenste haar leven zelf in te richten. Dat brengt haar als kind al voortdurend in conflict met haar tirannieke vader, die haar slaat en haar wil uithuwelijken aan een oudere man in Marokko. In koele bewoordingen beredeneert Karima Ouchan dat ze dit leven niet wil. Tijdens de oversteek per boot van Spanje naar Marokko springt ze overboord, maar ze wordt gered. Terug in Nederland lijkt haar vader veranderd, maar eenmaal op vakantie in Marokko ontdekt Karima dat ze in de val is gelopen. Haar vader laat haar niet meer teruggaan naar Nederland.

Twaalf moeilijke en eenzame jaren brengt ze vervolgens door in Noord-Marokko, zowel in een dorp als in een stadje op het platteland. Pas dan slaagt ze erin haar vader te vermurwen haar te laten terugkeren naar Nederland. In het geheim heeft ze contact gehouden met een goede vriendin en leraren van haar school. Met hulp van burgers, journalisten en haar oude school weet ze de Nederlandse autoriteiten te overreden dat de termijn waarbinnen ze het recht heeft om zich weer in Nederland te vestigen, nog niet is verstreken.

Twee jaar geleden, vrijwel direct na haar terugkeer in Nederland, kwam Ouchan in contact met de antropologe Fenneke Reysoo, die op haar verzoek haar levensgeschiedenis optekent. Al schrijvend bleek hoe moeilijk het was om van `de stroom indrukken en gedachten een verhaal te maken dat interessant is voor een breder publiek'. Bovendien duikt telkens weer haar vader op. Wat ligt dan meer voor de hand dan de geschiedenis van deze sterke vrouw te publiceren als een `nooit geschreven brief aan mijn vader'?

In die opzet schuilt ook de kracht van dit boek. Het verhaal is hier en daar inderdaad te dun om een goed beeld te krijgen van het dorpsleven in het Marokkaanse Rifgebergte. Waar het om gaat is dat hier een jonge Marokkaanse vrouw aan het woord is die op eigen benen wil staan maar die geen behoefte heeft om een aanklacht in te dienen tegen haar vader. De brief is vooral een zoektocht naar de motieven en culturele achtergronden van zijn gedrag. Als hij zich anders had gedragen, was hij door zijn landgenoten veroordeeld en buiten gesloten. Ouchan begrijpt dat en verzoent zich ermee, zonder dat ze haar eigen wens om haar leven zelf in te richten opgeeft.

Tegelijk geeft dit boek een fantastische inkijk in het manoeuvreren tussen de Marokkaanse en de Nederlandse cultuur, die zoveel verschillen maar beide door Ouchan worden gekoesterd. We lezen hoe het is om voortdurend te goochelen tussen het groepsgevoel dat in Marokko zwaarder weegt dan het persoonlijk belang, en de wens van Ouchan om op eigen benen te staan. Haar gevoel van onafhankelijkheid wint het telkens opnieuw. Haar persoonlijkheid dwingt respect af. Zelf hoopt ze dat haar brief een voorbeeldfunctie zal hebben voor andere Marokkaanse meisjes die worden onderworpen aan een strenge sociale controle waarin `roddel en ingrijpende bestraffingen voor degenen die uit de pas lopen dé instrumenten zijn om dat groepsbelang af te dwingen'.

Het is Ouchan gelukt om zich aan die sociale controle te onttrekken, zonder haar Marokkaanse kant te verloochenen.

Karima Ouchan (met Fenneke Reysoo): Nooit geschreven brief aan mijn vader. Bulaaq, 138 blz. ƒ28,50