Waarheid in dienst van ambitie

`Ik, alles wat ik ben, ben ik, het leukste om te zien, ben ik, in de spiegel, ik in mijn bed, ik op de foto en ik op ballet', zingt Bert (van Ernie) in Sesamstraat, waarna een groepje kleuters een zandtaart bakt met de vorm `S' van Samenwerken. Tegelijk buigt de middelbare scholier zich in het kader van de zelfwerkzaamheid over zijn leesdossier, in zijn eigen tempo, naar zijn eigen smaak. De Nederlandse samenleving is doortrokken van de ideeën van de onderwijshervormster Maria Montessori, geboren in 1870 te Chiaravalle, Italië, overleden in 1952, te Noordwijk.

Bij Amsterdam University Press is nu haar biografie verschenen, Maria Montessori 1870-1952 - Kind van haar tijd, Vrouw van de Wereld, geschreven door Marjan Schwegman, hoofddocente cultuurgeschiedenis aan de universiteit van Maastricht en bijzonder hoogleraar Vrouwenstudies in Utrecht. Schwegman beschouwt de onderwijsvernieuwster allereerst als een uitvindster, niet zozeer als een pedagoge, en vergelijkt haar met mannen als Edison en Bell. De biografie laat zien hoe bijzonder het is dat een vrouw destijds patent wist te claimen voor haar uitvinding, een ideeënstelsel, een prestatie die doorgaans aan mannen voorbehouden was.

Maria Montessori had `de kracht van een slagschip', niet alleen waar het de verbreiding van haar methode betrof, maar ook in haar presentatie. Zij cultiveerde het beeld dat de wereld van haar had als Heldin, als Nieuwe Vrouw. Al op jonge leeftijd was zij tegendraads en origineel. Maria was twaalf toen ze haar ouders te kennen gaf dat ze naar de Rijks Technische School wilde. Daarna werd ze geen ingenieur, maar arts. Zelf benadrukte ze graag dat ze de eerste vrouwelijke dokter in Italië was, in werkelijkheid was ze één van de eersten.

Ook later in haar leven stond bij Montessori de waarheid in dienst van haar ambitie. Ze wilde alleenheerseres zijn over haar ideeëngoed en verzweeg daarom het bestaan van tijdgenoten en medestanders die eenzelfde weg insloegen met het onderwijs. Met Helen Parkhurst, die mede door haar geïnspireerd de Dalton-methode ontwierp, brak ze toen Parkhurst meer bleek dan een navolgster. Schwegman onthoudt zich van oordelen over Maria's karakter. Wel toont ze aan dat een uitvinder zich in die dagen genoopt zag vóór alles strategisch, nietsontziend en strijdbaar te zijn.

Het is boeiend te lezen hoe Montessori zich op het snijvlak van twee eeuwen ophield met groten der aarde, en hoe in haar persoon uiteenlopende bewegingen en ideeën samenkwamen. Haar kennismaking met het opkomende feminisme, het liberalisme, het humanisme en de theosofie, de worsteling met het Rooms Katholicisme en het verwerpen van de erfzonde, de afkeer van het pessimistisch positivisme waarmee ze als studente in aanraking kwam en waarvan ze toch altijd doortrokken bleef - het maakte allemaal dat ze uiteindelijk alleen nog van zichzelf zei: `Ik ben Montessoriaan.' Het `leer mij om het zelf te doen', het niet-ingrijpen, maar slechts aanreiken door de volwassene aan het kind dat zich de wereld toeëigent, komt voort uit theosofie en Zen-boeddhisme.

Schwegman laat zien hoe wetenschappers en onderzoekers meenden dat technologische vernieuwing, geestelijke expansie en morele perfectionering in elkaars verlengde lagen. Zo beschouwde Montessori de Nederlandse Afsluitdijk als een `spirituele daad'. Aandoenlijk is haar geloof in de maakbaarheid van de Nieuwe Mens, die mede dankzij haar opvoeding geboren zou worden. De Wereldvrede leek onder handbereik.

De uitgebreide aandacht in dit boek voor de richtingenstrijd temidden waarvan Montessori opereerde, en voor haar opvallende tijdgenoten, heeft echter ook grote nadelen. Schwegman zag zich genoodzaakt tot het maken van deze `omtrekkende bewegingen' omdat zij geen toegang kreeg tot het archief van de in Amsterdam gevestigde AMI, de `Association Montessori Internationale'. Montessori's nazaten houden de poort stevig gesloten voor onderzoekers. Hierdoor kon Schwegman geen afstand nemen van het door Maria Montessori zo zorgvuldig gecultiveerde heldenverhaal over haar eigen leven. De biografie bestaat in feite uit veel giswerk, dat weinig voldoening geeft.

Vooral in de eerste hoofdstukken zingt Schwegman zich soms los van haar onderwerp. De biografie lijkt dan meer op een literatuurwetenschappelijke verhandeling over het genre van het heldenepos dan op een levensverhaal. Buitensporig veel aandacht wordt bijvoorbeeld besteed aan het sprookje van Blauwbaard, compleet met de duiding die Bruno Bettelheim en andere psychologen eraan gaven. `Ook Maria liet zich leiden door haar wil om te weten [-]' (net als Blauwbaards laatste vrouw); `Ook Maria probeerde de juiste vragen te stellen [-]'; `Ook Maria keert terug naar het toneel van de verschrikkingen [-]'; maar het belang van de parallel is, zacht uitgedrukt, twijfelachtig.

Schwegman heeft getracht te doorgronden wie Maria's rolmodellen waren, een vrouw als Helena Blavatsky wellicht, of de bijbelse Eva en Maria. Voorin de Engelse uitgave van Montesorri's boek Il metodo staat een foto van haarzelf, zoals altijd in het zwart gehuld, met een soort tulband op. Maria zit aan een tafel waarop de door haar ontworpen puzzel met geometrische figuren ligt. Met milde interesse en natuurlijk vooral niet opdringerig, kijkt ze naar een meisje dat naast haar met intense aandacht een van de figuren bekijkt en bevoelt. Montessori heeft een andere figuur in de hand, dat ze uiteraard pas aan het meisje zal geven als zij daar zelf haar aandacht op richt.

Het tafereel doet Schwegman denken aan een schilderij van Rafael, de Madonna della Sedia, waarvan in al Montessori's Kinderhuizen een kopie hing. Daarop draagt de madonna ook een tulband! Schwegman legt een verband tussen de foto en het schilderij, maar ook tussen het schilderij en de belevenis die Montessori naar eigen zeggen de weg wees naar de opvoedkunde. Ze zag een Romeinse bedelares die haar kind liefdevol gadesloeg terwijl het met een stuk papier speelde, zonder in te grijpen. Maria Montessori besloot naar aanleiding daarvan haar artsenpraktijk op te geven. `Wilde Maria met haar plechtige afzwering van haar verleden als arts laten zien dat haar wilde tijd voorbij was en daarmee ook de seksuele slavernij waarin mannen vrouwen volgens haar gevangen hielden?', schrijft Schwegman dan ineens. De heilige Maria is vast een voorbeeld geweest voor `onze' Maria, betoogt ze. Dat mag zo zijn, maar wat is het nut van de constatering dat Montessori `in het teken van de maagd' geboren is? En wat doet het ertoe dat ook Montessori een kind kreeg, als een bewust ongehuwde moeder avant la lettre, van een man die, nee maar, ook Giuseppe heette?

Maria Montessori beviel in 1898 van een zoon, Mario, van haar collega Giuseppe Montesano. Samen met Montesano werkte ze in die jaren, als collega en concurrente, aan een nieuwe opvoedingsmethode die toen nog uitsluitend bedoeld was voor `deficiënte' kinderen. Hun relatie is `omgeven met geheimen', schrijft Schwegman. Helaas kan de biografe die niet ontsluieren. Waarom ze niet trouwden en hun kind zelf opvoedden, is onbekend. Mario werd afgestaan aan een familie op het platteland. Na vijftien jaar, toen hij inmiddels een kostschool bezocht waar het regime niets had uit te staan met de leer van zijn moeder, hervond hij Maria. Vanaf die tijd vormden Maria en Mario een hecht paar. Hij werd haar trouwste paladijn, verbreider van haar gedachtegoed en week nauwelijks meer van haar zijde. Maar Montessori heeft hem bijna haar leven lang voorgesteld als haar neef.

Zes maanden na haar bevalling sprak Montessori op een pedagogisch congres in Turijn. Ze sprak over haar `nieuwe passie' en haar `intuïtieve' ontdekking van de liefde als opvoedingsinstrument. Het liefdevolle afstand houden dat zo'n centrale plaats inneemt in haar methode speelde in haar eigen leven wel een erg extreme rol: zij sloeg haar zoon in alle jaren dat hij niet bij haar opgroeide slechts af en toe gade. In hoeverre Montessori's persoonlijke geschiedenis met haar kind haar haar methode ingaf, kan Schwegman onmogelijk zeggen. Ze blijft noodgedwongen steken in suggesties.

In 1908 ontmoette Montessori in een van haar kinderhuizen de `onbekende en ernstige journalist' Benito Mussolini. Het latere contact tussen Montessori en Mussolini vormt een van de meest interessante delen van de biografie. In 1927 schrijft Montessori hem over haar toewijding aan Italië en Rome, `het centrum waarnaar de aspiraties van de hele wereld uitgaan', en verzekert hem van haar `fascistische toewijding'. Volgens Schwegman had ze een `verre van apolitiek strategisch inzicht in de achilleshiel van Mussolini en zijn raadgevers', en dat blijkt onder meer uit haar dreigement, in brieven, dat ze haar gaven wel eens in dienst van een andere natie kon stellen, als hij zijn belofte om een internationaal Montessori-centrum in Italië te vestigen, niet nakwam. Montessori was een gedreven pleitbezorgster van de wereldvrede. Haar nieuwe mens was een wereldburger, geen Italiaan. In Mussolini's lijfspreuk `Een volmaakte fascist bezit boek en pistool' zag zij niets. Een breuk bleef dan ook niet lang uit.

Schwegman besteedt relatief weinig aandacht aan Montessori's leermiddelen en de uitbreiding van haar gedachtegoed naar verschillende leeftijdgroepen. Van de `deficiënte' kinderen waarop de Montessori-methode aanvankelijk gericht was, groeide de doelgroep van peuters uit tot basisschoolleerlingen en middelbare scholieren. Montessori kreeg de wereld in haar greep. Hoe uniek en betekenisvol haar bijdrage aan de opvoedkunde is, werd misschien wel het best verwoord door de Nederlandse pedagoog J.H. Gunning in 1914: `een paedagogisch inzicht dat al vaag bij anderen aanwezig was, [treedt] plotseling in haar [op] met een zoo levendige en levenwekkende klaarheid [-], dat het als een ontdekking, of openbaring mag worden bestempeld.'

Marjan Schwegman: Maria Montessori 1870-1952 - Kind van haar tijd, vrouw van de wereld. Amsterdam University Press, 256 blz. ƒ34,50