Vlammenwerpers tegen brandharen

In Amersfoort gebeurde laatst iets ergs. Een kleuter struikelde en viel. Even later zat hij onder de blaren. Het begon vreselijk te jeuken. Hij krabde aan zijn armen, zijn handen, zijn nek. De kleuter moest huilen. Hij had een week lang last van de blaren.

De kleuter was in een bos met Reuzebereklauwen gevallen. Een Reuzebereklauw is een grote plant. Hij kan wel drie meter hoog worden. Bovenaan de lange stengel zitten een heleboel kleine schermpjes. Die lijken op omgekeerde parapluutjes, maar dan zonder steel. Langs de stengel van de Reuzebereklauw zitten allemaal piepkleine haartjes, brandharen heten ze. Als je daar tegenaan strijkt breekt het haartje af en komt er een druppeltje vloeistof op je huid. Als de zon erop schijnt begint het op die plek vreselijk te jeuken. Je krijgt blaartjes. Als je met je hele arm per ongeluk langs de stengel strijkt krijg je over je hele arm blaartjes. Je arm lijkt op een dikke worst.

De Reuzebereklauw is niet de enige die je een jeukaanval kan bezorgen. Kijk ook uit voor zijn kleine broertje, de gewone Bereklauw. Hetzelfde geldt voor de Pastinaak en de Engelwortel. En natuurlijk de Brandnetel. Ook daar kun je maar beter vanaf blijven. Want ook die heeft brandharen, gevuld met kriebelvloeistof. Je kent het vast wel, dat brandende gevoel als je je blote been per ongeluk langs een brandnetel strijkt.

Niet iedereen krijgt trouwens blaren. Mensen wel. Schapen en konijnen ook. Maar sommige vlinders wandelen rustig over een brandnetel, alsof er niks aan de hand is. De Dagpauwoog bijvoorbeeld, of de Kleine vos. Rupsen van de Kleine vos eten de brandharen zelfs op. Ze krijgen de kriebelvloeistof dus ín hun lijf. Maar het doet hen niks.

De brandharen op de Reuzebereklauw of de Brandnetel zitten er niet zo maar. Ze zijn bedoeld als verdediging. Planten kunnen nou eenmaal niet wegrennen als er gevaar dreigt, want ze zitten met hun wortels vast in de grond. Dus moeten ze iets anders verzinnen. Een roos heeft scherpe doorns. Een bramenstruik ook. Een koe of een paard bedenkt zich wel een keer voordat hij in zo'n stengel vol met scherpe haken bijt. En de Reuzebereklauw maakt brandhaartjes langs zijn stengel. Een schaap of een konijn zet zijn tanden misschien wel één keer in een Reuzebereklauw, maar geen twee keer. Van die eerste keer heeft hij genoeg geleerd. Hij wil niet nog een keer een brandende bek vol blaren krijgen.

Misschien denk je nu: waarom halen ze de Reuzebereklauw niet gewoon weg? Dan is het probleem opgelost. Maar zo gemakkelijk is dat niet. Maaien is zinloos. Uit de achtergebleven wortels groeien al snel weer nieuwe plantjes. En bestrijdingsmiddelen werken slecht. In Duitsland gebruiken ze vlammenwerpers om de planten te verschroeien. Maar ook dan komt de Reuzebereklauw weer terug. De grote plant laat zich niet zomaar weghalen. Het is beter om de Reuzebereklauw, de Pastinaak, de Engelwortel en de Brandnetel te leren herkennen. Als je ze ziet, kun je er het beste met een boogje omheen lopen. Dan krijg je geen blaren en geen gekmakende jeuk.