Spanning bij een bordje pasta

Gelukkig hebben computers en Internet nog nauwelijks hun intrede gedaan in de verbeelding van thrillerschrijvers. Want wat is er leuker dan de beschrijving van telefoongesprekken en de bezoekjes aan benzinepomphouders, hoteleigenaren of treinconducteurs die rechercheurs afleggen zodra ze een moord hebben ontdekt? De Siciliaanse auteur Andrea Camilleri heeft dit intermenselijk verkeer rond het politieonderzoek tot indirect onderwerp van zijn nieuwste roman, De Stem van de Viool, gemaakt.

Camilleri's hoofdpersoon is rechercheur Silvo Montalbano, een scherpzinnige bullebak die, hoe dramatisch de zaak ook is, geen maaltijd overslaat. Als lezer komen we meer te weten over de aanblik van een bord pasta met schelpjes dan die van de scene of the crime. Het lijkt bijna alsof Camilleri zijn boek bewust heeft geschreven voor Italofielen, zo `typisch Italiaans' is de ruzie-achtige sfeer, de nadruk op lekker eten, het oog voor mooie landschappen en vrouwen, de chaos op kantoor. Zo is Montalbano's assistent een onhandige jongeman die namen verhaspelt en telefoonnummers zo noteert dat een drie ook een vijf kan zijn.

Het boek begint met een aanrijding door Montalbano's chauffeur met een stilstaande Renault Twingo. De rechercheur krijgt argwaan als niemand reageert op zijn briefje onder de ruitenwisser, en breekt in in het huis waar de auto geparkeerd staat. In de slaapkamer zit een dode, blote vrouw geknield aan het bed. Deze beeldschone gewurgde dame heet Michela Licalzi, heeft een rijke echtgenoot in Bologna, veel vrienden hier op Sicilië en heeft de gewoonte om sieraden met de waarde van miljoenen lires achteloos in een schoudertas rond te dragen.

Haar dood wordt onder meer betreurd door een trouwe vriendin en een achterlijke jongen die soms letterlijk kwijlend om haar heen draaide. Heeft híj haar vermoord uit jaloezie? Was het haar echtgenoot, haar minnaar of een ordinaire dief? De auteur strooit achteloos met vingerwijzingen: waarom gooide de keurige Michela haar roze badjas zomaar op de grond; wie is de man met wie ze is gesignaleerd bij een pompstation, en last but not least: is ze vrijwillig met haar moordenaar naar bed geweest? Allerlei kleurrijke types passeren de revue om nieuwe inzichten te verkondigen, maar als een `klassieke' speurder lost de rechercheur de zaak door helder denkwerk op.

Camilleri schrijft in een stijl die zich wezenlijk onderscheidt van zijn Amerikaanse collega's: minder hardboiled, maar met een gemoedelijke toon waarbij de humor onverwachts toeslaat. Zo wordt de vermoorde vrouw herinnerd als een weerbare tante, die het typisch Italiaanse macho-gedrag handig pareert. Als de pompbediende haar na het pompen dubbelzinnig vraagt of hij `nog iets speciaals voor haar doen kan', antwoordt ze vriendelijk lachend dat ze `voor de speciale dingen al iemand heeft'.

In dit levendige verhaal is Camilleri's onverwachte uitstap naar de Siciliaanse maffia-problematiek een beetje ongelukkig. En ook het geïntrigeer op het politiebureau krijgt soms te veel aandacht. Maar als de dader zich aan het eind openbaart, is het bijna jammer om plotseling zonder Montalbano en zijn pasta's verder te moeten.

Andrea Camilleri: De Stem Van De Viool. Serena Libri, 274 blz. ƒ32,50