Schoonheid gedeeld door gekte

De jury van de Libris Literatuurprijs heeft dit jaar de rijke keuze uit een aantal schrijvers die de regels van het vak perfect beheersen, en andere schrijvers die de beheersing van de perfectie juist ontregelen. Over het verschil tussen vakmanschap en genialiteit.

In winkels, cafés of kantoren kom je ze soms tegen, de stickers of bordjes met de tekst: `Je hoeft niet gek te zijn om hier te werken, maar het helpt wel'. Telkens wanneer ik het lees, neem ik mij voor de zaak in kwestie voortaan te mijden. Het personeel gelooft er blijkbaar zelf niet meer in en is op de koop toe te beroerd geweest op eigen kracht iets te bedenken om dat kenbaar te maken. Wie zich met voorgedrukte teksten tot de wereld richt, verdient het te worden gewantrouwd.

Hoe anders is het in de literatuur! Een beetje gekte strekt daar eerder tot aanbeveling. Bij schrijvers en dichters is bovendien de kans gering dat ze zich van andermans woorden zullen bedienen. Wanneer Gerard Reve (in zijn Brieven aan mijn lijfarts) schrijft: `Ik ben niet gestoord, maar gewoon krankzinnig', dan lees ik vol vertrouwen verder. Van een `krankzinnig' schrijver is op z'n minst te verwachten dat je bij hem iets zult lezen dat je elders niet zo gauw tegenkomt.

Waanzin en letteren horen van oudsher bij elkaar. Sinds Plato geldt de furor poeticus als een bewijs van waarachtig dichterschap, al zijn er ook altijd lieden geweest (onder wie Plato zelf) die de literatuur op grond van deze `dichterlijke waanzin' hebben veroordeeld. In elke geslaagde literaire creatie schuilt een element dat zich aan rationele determinatie onttrekt. Zelfs de meest rationalistische literatuuropvatting, die van het zeventiende-eeuwse classicisme, hield ruimte open voor een je ne sais quoi, dat in laatste instantie beslist over het slagen of mislukken van een literair werk.

Uiteraard is het de Romantiek geweest die de literaire `waanzin' voorgoed op de agenda heeft geplaatst. Het romantische `genie' is nooit normaal, het valt buiten elke conventionele orde en ontleent daaraan zijn bijzonderheid. Hoewel de literaire beursnotering van het `genie' sindsdien behoorlijk is gedaald, zijn we nog altijd in veel opzichten schatplichtig aan het romantische gedachtegoed. In een iets minder uitzinnige gedaante heeft ook de literaire waanzin daarvan geprofiteerd.

Tegenwoordig zullen we liever spreken van bevlogenheid, elan of geobsedeerdheid, maar hoe vlak deze woorden ook zijn gaan klinken, iets van de oude literaire waanzin valt er nog wel in te herkennen. Dankzij deze kwaliteiten kan een tekst afwijken van het gewone en het normale, en de lezer juist daardoor raken, verbluffen, en zo nodig schokken. Wie zo'n `waanzinnige' tekst leest, treedt binnen in een ander universum, waarvan de bron bestaat uit de geobsedeerde verbeelding van de schrijver. Dat wil niet zeggen dat de `waanzinnige' schrijver geen idee heeft van wat hij doet. Integendeel, juist de bewuste creatie schept de voorwaarden om het andere te laten ontstaan, dat nooit helemaal te beheersen en te voorspellen valt.

Het merkwaardige van waanzin is dat zij niet zozeer als een eigenschap wordt gezien, maar eerder als iets dat van buitenaf inbreuk maakt op de normale gang van zaken. Pas achteraf kan het krankzinnige desgewenst, bijvoorbeeld via de psychoanalyse, tot bekende elementen worden gereduceerd, zij 't nooit zonder gevaar dat het belangrijkste in de analyse kapot wordt gemaakt. Maar dat is vooral een zaak van de lezer, niet van de schrijver. Voor hem is alleen de volledige inzet belangrijk. Zijn persoonlijkheid moet als het ware opgaan in zijn werk, dat vervolgens - meer nog dan zijn persoon - belichaamt wie hij is, inclusief zijn in het alledaagse leven onbenutte mogelijkheden.

Het verschil met het gewone leven (dat ook een verschil is met de gewone taal) brengt met zich mee dat het andere, uit woorden opgetrokken universum van de `waanzinnige' schrijver iets onvervreemdbaar eigens krijgt. Je hoeft maar een paar regels te lezen, en je weet: dit moet geschreven zijn door Beckett, door Hermans, door Reve of door welke schrijver dan ook, die zich zonder reserve heeft uitgeleverd aan de noodzaak van zijn eigen obsessies.

In hun romans, verhalen en gedichten drukt hun hele schrijverspersoonlijkheid zich uit. Daarbuiten kunnen zij zich als normale mensen gedragen. Er is dus geen enkele reden om dwangbuis en spanlaken te hulp te roepen. De waanzin wordt al beteugeld door de tekst zelf, door de vorm en de stijl die de schrijver heeft gevonden voor dat wat zich aan hem opdringt. Voor een `waanzinnige' schrijver hoeft niemand bang te zijn, hoogstens voor het geschrevene en het vreemde dat daarin oplicht.

Om dat ten volle te bevatten is één boek doorgaans niet genoeg. `Waanzinnige' schrijvers lees je niet per boek, maar per oeuvre. Pas het geheel van wat zij geschreven hebben geeft zicht op hun imaginaire universum, waartoe de afzonderlijke boeken evenzovele ingangen zijn.

Daarin onderscheiden zij zich van een ander type schrijver, bij wie de nadruk minder op het oeuvre ligt dan op de afzonderlijke boeken. Ook zonder oeuvre kan zo'n schrijver een geslaagde roman schrijven, als hij beschikt over een ijzersterk verhaal en het benodigde vakmanschap om het te vertellen. Ongehinderd door de idiosyncratieën die bij een `waanzinnige' schrijver onvermijdelijk zijn, drukt hij in zijn roman iets uit van zo'n algemene geldigheid, dat iedereen zich er moeiteloos in kan herkennen. Zijn roman biedt geen zicht op een ander universum, die omweg van de `waanzinnige' verbeelding om het gewone vreemd en daardoor nieuw en verrassend te maken, maar op de alledaagse wereld die dankzij de kracht van het verhaal in een geconcentreerde vorm wordt getoond.

In de hedendaagse literatuur zijn beide typen schrijvers, zowel de `waanzinnige' als de vakman, aanwezig. Ook onder de nominaties voor de Libris Literatuurprijs van dit jaar kunnen ze worden teruggevonden, al is het nog niet zo makkelijk om precies uit te maken wie tot welk type behoort.

Voor een deel komt dat doordat sommige genomineerden nog maar weinig hebben gepubliceerd. De stille omgang is pas de tweede roman van Ernst Timmer, van wie na zijn debuut nog wel een verhalenbundel is verschenen; het zelfde geldt voor De vaders van de gedachte van Nanne Tepper, die een derde boek alleen als bibliofiele editie heeft laten uitgeven, buiten bereik van het grote publiek.

Maar is het wel nodig véél van iemand gelezen te hebben om de literaire waanzin te kunnen herkennen? Eigenlijk niet. Als het goed is, manifesteert de `krankzinnige' geobsedeerdheid zich al meteen; zij is het tenslotte die de schrijver tot schrijven heeft aangezet. Urgentie, intensiteit, woede desnoods zijn er de mogelijke symptomen van, op voorwaarde dat ze zich in de taal, in de woorden zelf, hebben genesteld. Waanzin in de literatuur is uiteindelijk een kwestie van stijl, van vorm, zolang daaronder niet slechts een `mooie' stijl en een `mooie' vorm worden verstaan, want die zijn eerder de verdienste van de vakmanschrijver.

In de weerbarstigheid van de tekst zit het verschil. Bij Tepper noch bij Timmer sluit het vertelde naadloos aan op de wereld buiten het boek. Om hun romans te kunnen lezen moet je een onzichtbare grens over, je gaat een andere wereld binnen die niet meer volledig navolgbaar is. Niet het feit dat Timmer De stille omgang in en rond een psychiatrische inrichting laat afspelen, stempelt hem tot een `waanzinnig' schrijver, maar de manier waarop hij het maniakale spelen van zijn personages in absurde ernst laat veranderen. Bijna zou je vergeten dat Timmer, naar aanleiding van zelfmoord en euthanasie, ook nog iets van algemene strekking probeert te zeggen over normen en waarden in dit postmoderne tijdsgewricht. Maar hoe behartigenswaardig ook, daarin schuilt niet de voornaamste attractie van deze `krankzinnige' roman.

Over Teppers De vaders van de gedachte zou je iets soortgelijks kunnen zeggen. Ook in deze roman wordt een moreel faillissement uitgesproken, maar de kracht van het boek zit toch vooral in de verbetenheid waarmee dat gebeurt, een verbetenheid die de plaats inneemt van de absurditeit bij Timmer. Misschien is literaire waanzin wel een kwestie van temperament. Zo lijkt het in elk geval in Teppers roman, waarvan vooral de intensiteit treft, waarmee de laatste tournee van de radeloze cabaretier Co Starring in gezelschap van zijn doodzieke dochtertje wordt opgeroepen. Hier is een schrijver aan het woord voor wie de roman welhaast tekort schiet om alles te bevatten wat hij te zeggen heeft, maar de tirades van zijn hoofdpersoon tegen het genre mogen niet doen vergeten dat het intussen toch maar in een roman wordt gezegd.

Van zo'n schrijver weet je zeker dat er nog veel meer moet komen, zo onontkoombaar oogt de noodzaak van wat er nu al is. Bij Paul Claes krijg ik geen moment die gewaarwording (alsof de schrijver je tijdens het lezen zijn nijdige adem in de nek blaast), wat overigens niet per se in het nadeel van zijn roman De Phoenix hoeft uit te pakken. Claes lijkt mij dan ook bij uitstek een voorbeeld van het andere type schrijver, de vakman. Getraind als vertaler en essayist, heeft hij zijn thematiek in de eerste plaats uit de literatuur zelf geput.

Dat was al zo in zijn beide vorige romans, respectievelijk gemodelleerd naar de Griekse schelmenroman en naar een apocrief bijbelboek; ditmaal heeft hij een historische roman geschreven (over de humanist Pico della Mirandola) die gaandeweg steeds meer de trekken krijgt van een kabbalistische detective. Claes acht ik zeer goed in staat om een fascinerend boek over de furor poeticus te schrijven, maar zelf zou dat boek toch vooral uitmunten door literaire vernuftigheid. Ook in De Phoenix getuigt de metamorfose van christendom in humanisme, gesymboliseerd door het leven en denken van Pico, niet zozeer van waanzin en persoonlijke obsessie als wel van eruditie en een bewonderenswaardige, speelse beheersing van de stof.

In Allerzielen, de langgerekte meditatie over de geschiedenis van Cees Nooteboom, zie ik evenmin veel waanzin. Melancholie is de grondstemming van zijn oeuvre, en wel melancholie in zo'n milde vorm dat voor serieuze ontsporingen niet hoeft te worden gevreesd. Toch is het evident dat de waanzin hem wel degelijk fascineert. Dat bleek al uit zijn roman Rituelen, waarin het absolutisme van vader en zoon Taads een onmiskenbare krankzinnigheid verraadt die hoofdpersoon Inni Wintrop niet onberoerd laat. Maar eraan deelnemen kan en wil hij niet.

Zoiets geeft zijn melancholie, die overblijft nadat de tentatie van het absolute is bezworen, reliëf, en zo is het ook bij de schrijver Nooteboom. Tussen fascinatie en obsessie bestaat echter een kwalitatief verschil: het één blijft aan de buitenkant, het ander zit van binnen. Nooteboom en zijn personages zijn altijd de buitenstaanders van wat hen ten diepste had kunnen raken. In Allerzielen geven zij zich over aan mijmeringen over historie en vergankelijkheid die het niveau van de welluidende gemeenplaats zelden ontstijgen, terwijl de – bijna – fatale liefdesgeschiedenis van Arthur Daane met zijn particuliere `Sirene' hoogstens een flauwe echo bevat van de tentatie door het absolute die Inni Wintrop in Rituelen parten speelde.

Aan vakmanschap ontbreekt het Nooteboom niet, zijn roman is zonder meer in een `mooie' stijl geschreven, maar het is jammer dat hij daarmee geen genoegen neemt en toch een beetje doet alsof hij tot het andere type schrijver behoort. Een ondubbelzinnige concentratie op het verhaal (dat nu een willekeurige, bijeengeraapte indruk maakt) was misschien de oplossing geweest, zoals H.M. van den Brink demonstreert in zijn novelle Over het water. Bij hem ontbreekt de ballast van een oeuvre (afgezien van een paar non-fictiewerken publiceerde hij voordien één roman), maar zijn novelle heeft geen oeuvre nodig om volledig tot zijn recht te komen.

Over het water is een op zichzelf staand meesterwerkje, volmaakt gecomponeerd en geschreven volgens de regels van de kunst. Een geslaagde kruising tussen F.B. Hotz en Patrick Modiano, zou je kunnen zeggen, ware het niet dat dit melancholische relaas over het geluk van een roeier tijdens de zomer van 1939 meer dan genoeg eigen kracht bezit om deze associaties tijdens de lectuur naar de achtergrond te dringen. Wat de melancholie, anders dan bij Nooteboom, voor mildheid behoedt (waardoor zij de lezer werkelijk raakt), is het feit dat de verteller haar zo hardnekkig probeert te ontkennen. Het effect van Van den Brinks novelle berust vooral op suggestie. De lezer vult aan wat de verteller verzwijgt, en dat is méér dan alleen de bekende dramatische context van oorlog en vervolging.

Is Van den Brink voor mij de beste vakman onder de genomineerde schrijvers, de beste `waanzinnige' schrijver (het zal na het voorafgaande niet als een verrassing komen) vind ik Harry Mulisch.

In De procedure lokt hij ons opnieuw zijn wonderlijke universum binnen, zij 't na een waarschuwing dat de lezer er ditmaal wat meer moeite voor zal moeten doen. Al te veel moeite blijkt dat in de praktijk niet te zijn. Mulisch' wereld blijft zeer herkenbaar, althans voor wie diens eerdere werk kent. Maar de herkenbaarheid doet niets af aan het vreemde dat men te lezen krijgt: alleen omdat de ingrediënten van deze vertelling over het scheppen inmiddels vertrouwd zijn, hoeft de lezer zich in dit ongewone landschap niet verloren te voelen. Met alle mogelijke zichtbare en onzichtbare draden is zijn nieuwe roman verbonden met de rest van het oeuvre.

Tot de ingrediënten van Mulisch' oeuvre behoren, zoals bekend, de kabbala en het hermetisme, waarover ook Paul Claes schrijft in De Phoenix. Maar Claes schrijft er over, omdat de hoofdpersoon van zijn historische roman zich ermee bezig hield; bij Mulisch daarentegen is dit esoterische gedachtegoed volledig opgenomen in zijn hoogstpersoonlijke literaire universum. Ziedaar het verschil tussen de vakman en de `waanzinnige'. Het verschil zit niet in een gebrek aan vakmanschap bij Mulisch (in De procedure lijkt hij, net als in al zijn recente romans, zijn particuliere obsessies juist feilloos in de greep te hebben), maar in het `krankzinnige' extra, een tot universele proporties opgeblazen idiosyncrasie, dat van zijn roman iets volstrekt onvergelijkbaars maakt.

Het zal duidelijk zijn: voor mij behoort de `waanzinnige' schrijver, bij wie in elk afzonderlijk boek het hele oeuvre resoneert, tot een hogere orde dan de vakman. Had ik het voor het zeggen, dan zou Mulisch dit jaar de prijs krijgen. Maar de Libris Literatuurprijs is geen oeuvreprijs, het gaat alleen om de beste roman van het afgelopen jaar. En daarom dient wat mij betreft ook de wonderschone novelle van H.M. van den Brink een serieuze kandidaat te zijn. Het is een keuze tussen waanzin en vakmanschap, tussen een even bizar als eigengereid avontuur en een welhaast volmaakte schoonheid.

Hoeveel literaire waanzin heeft de jury willen verdragen? That's the question – waarop we maandagavond het antwoord krijgen.