Samen met Hamlet op de Vespa

Het bestaat nog steeds: schrijven als loutering. Om klaarheid te vinden in verwarde gevoelens en gebeurtenissen, om inzicht te verwerven in het leven of daar meer greep op te krijgen. De omvangrijke roman Schaamte (Skammen, 1996) van de Noorse schrijfster Bergljot Hobaek Haff is van dit bevrijdende schrijven een mooi voorbeeld. Hoofdpersoon is de vijftigjarige vrouw Idun Hov, het zwarte schaap van de familie, een outsider. Ze schrijft boeken, maar deze bezigheid blijft voor iedereen in het verborgene. Die romans onthullen de pijnlijke, tragische kanten van haar bestaan. Heeft ze zich niet vastgeklampt aan de schrijftafel, dan struint ze door de stad en zo nu en dan belandt ze in een psychiatrische inrichting. Haar zuster, een wraakzuchtig iemand, laat haar opnemen. Want Indun is de risee van de familie, ze werpt smetten op de goede naam. Ze haalt haar voedsel uit vuilnisbakken.

Idun Hov is een statenloze vrouw, en dat maakt haar een intrigerend romanpersonage. Ze heeft haar bestaan gereduceerd tot het bijna-niets. Ze vraagt zich af: `Hoe kun je jezelf leren om zonder hoop te leven, naakt en uitzichtloos als een dier in een kooi? Waarop moet een mens zich richten als de tijd van zwerven voorbij is en alle wegen afgesloten zijn, behalve de wegen die je terug in tijd en ruimte voeren? Is mijn geheugen sterk en levendig genoeg om me overeind te houden, of lijk ik op `die allerongelukkigste mens' van S⊘ren Kierkegaard, die nu eens in het verleden leeft, zonder iets om aan terug te denken, en dan weer vol hoop is, zonder dat er iets te hopen valt?'

Deze regels vertegenwoordigen in al hun compactheid de essentie van Schaamte. Het is de intrigerende paradox van het boek dat een `leven zonder hoop' zo'n majestueuze roman oplevert, waarin de lotgevallen van Idun Hov door Hobaek Haff minutueus worden gevolgd.

De roman begint in een psychiatrische inrichting waar Hov wordt verpleegd; haar verblijf daar wordt getekend door schuld en opstandigheid. Niemand weet dat zij tal van boeken heeft geschreven, die een onbekend en onbemind leven leiden. Zij ontleent trots aan haar werk, maar het is een broze, ongeziene trots. Het boek dat de lezer uiteindelijk in handen heeft, is de weergave van haar ziektebeeld. Doktoren pressen haar te schrijven als therapie, ze ziet zich geconfronteerd met het verleden: `Als ik 's nachts half wakker ben komt het verleden weer tot leven, het zweeft als een grote wolk boven mijn hoofd of komt als een onduidelijke schaduw uit de hoek te voorschijn. (-) Met dertig, veertig, vijftig jaar vertraging stormen de herinneringen in flarden op me af, zo levendig en helder dat ik rechtovereind in bed ga zitten en in mijn ogen moet wrijven. Ik kan de kleinste spiertrekking in het verbitterde gezicht van mijn vader zien.'

Die `verbitterde spiertrekking' is als het ware de Proustiaanse madeleine van de schrijfster. De gezichtsspier van haar vader brengt haar terug naar haar kommervolle kindertijd, naar haar moeder en kwalijke zusters. Haff vertelt het verhaal niet chronologisch, met haar associëren en meanderen we mee door het turbulente leven van Idun Hov. Zijzelf is het meest aan het woord, toch zijn er ook in haar leven verloren maanden en jaren. Om de leemten op te vullen neemt een alwetende schrijver het woord en vertelt zij wat haar hoofdpersoon niet weet. Ze noemt die scènes van totale vergetelheid `Beelden'. Hov duikt daarin telkens `als het ware uit het niets op' in naamloze dorpen of buitenwijken van de grote stad. Zoals in veel Scandinavische romans spelen theater en muziek een grote rol. Ook hier: voor Idun Hov is haar geheugen een schouwburg, waarin ze door zich te concentreren verschillende scènes kan laten afspelen. Zo beeldt zij zich in dat ze een verhouding heeft met haar `theatrale vriend Hamlet' met wiens gezelschap zij langs de theaterzalen van het land reist. Deze passages zijn de meest fantasierijke en speelse van de roman.

Het is bijna of de zo bejubelde film Shakespeare in Love op het procédé van Hobaek Haff voortborduurt. Net zoals scenarioschrijver Tom Stoppard verweeft Haff de onstuimige, fatale liefde van haar hoofdpersonage met de Hamlet-tragedie. Een fraai voorbeeld van intertextualiteit: fictie leidt tot nieuwe fictie. Zij gaan samen `Over alle grenzen' en reizen op een Vespa naar het zuiden om een nieuw leven in de Alpen te beginnen. Het zal hun eerste en laatste vakantie zijn, zoals alles in Idun Hovs leven voor het eerst en voor het laatst is: de liefde, het geluk, het begrip waarnaar ze zoekt en dat ze heel kortstondig vindt.

In het slothoofdstuk komt ze tot de ontdekking dat de mensen geregeerd worden door het `beest' der verhoudingen. Telkens moet de mens oude verhoudingen verbreken en zich in nieuwe verbintenissen terugvinden. We kunnen erover twisten: is dat een tragische of gelukkige omstandigheid? In elk geval ontleent Idun Hov aan deze levensvisie van het zwerven en zweven, van het zich niet binden, haar vitaliteit.

Het enige vreemde van de roman is de titel, want schaamte speelt ternauwernood enige rol van betekenis. Juist het tegenovergestelde is waar, de overwinning of sterker nog de ontkenning van schaamte. Want de levensdrang van Idun Hov is op elke pagina krachtig aanwezig; wat ze ook onderneemt, al eet ze uit vuilnisbakken, schaamte zal nog geen blos op haar wangen tekenen. Wel iets anders, de verliefdheid. Aan het slot is ze verliefd op een man met alweer een toneelnaam: Aron. Ze stroomt boordevol geluk: `Ik werd wakker doordat ik mezelf hoorde roepen, niet met mijn gewone zachte, onzekere stem maar met de jonge, jubelende en heldere stem die ooit zo zeker van haar zaak was: ``Ik houd van hem, ik houd van hem, ik houd van hem!' Liefde verslaat schaamte: daarover gaat dit boek.

Bergljot Hobaek Haff: Schaamte. Roman. Uit het Noors vertaald door Kim Snoeijing en Lucy Pijttersen. Meulenhoff, 473 blz. ƒ44,90