Ra, ra, ra, wie ben ik?

Dansmeiden, zangers maar vooral komieken, daar draaide het om in de revue, een nu verdwenen kleinkunst-genre waar Kees 't Hart een roman over schreef.

De hoofdpersoon heeft, in de jaren zestig, als geschiedenisstudent onderdak gevonden in een huis achter het Amsterdamse theater Carré. In de kamer naast de zijne woont een danseres van de revue die daar elke avond wordt opgevoerd. De revue fascineert hem, het danseresje trouwens ook; hij vat zelfs het plan op zijn scriptie aan het theaterschouwspel te wijden. Daarvan komt echter niets terecht. Wel heeft hij destijds, op haar voorspraak, drie maanden lang de volgspot mogen bedienen. En nu, dertig jaar later, heeft hij opeens een uitnodiging gekregen voor een reünie van ex-revuemedewerkers. De vraag is of hij zal gaan, en of hij ooit zijn danseres van toen nog terug zal zien.

De revue, de nieuwe roman van de schrijver en dichter Kees 't Hart, verschijnt volgende week. Het boek is blijkens de titelpagina opgedragen aan Euf, zijn vrouw. In de jaren zestig was zij onder haar meisjesnaam Eufje Lindeboom één van de twaalf danseressen in de Snip & Snap-revue. ,,Ze waren onverschillig mooi', schrijft 't Hart, ,,het kon hun niets schelen of iemand anders dat ook vond...' De meisjes met de lange benen fungeerden als omlijsting voor de sketches van het duo Willy Walden en Piet Muyselaar, alias Snip & Snap. Het publiek kwam voor de komieken, maar zonder ballet, zonder zang en dans, was een revue niet compleet. Tegen die achtergrond plaatste 't Hart de student die poogt tot de kern van het revuebedrijf door te dringen, maar een niet begrijpende buitenstaander blijft.

Zelf was hij die ik-figuur niet, zegt hij. ,,Maar ik woonde met mijn vriendin achter Carré, dat wel, en ik heb de voorstellingen ook vaak bezocht. Na afloop zat ik tussen de mensen van de revue in café Van der Laan, even verderop. Het was een wereld die me fascineerde, maar ik wist heel goed dat ik er zelf niets te zoeken zou hebben. Deze mensen kònden echt iets, en dat was voor mij reden hen met jaloezie te bezien. Ik was student Nederlands, ik kon verder niets, ik studéérde alleen maar, wat stelde dat nou voor? Ik heb alleen nooit meegedaan aan het negativisme waarmee toen in studentenkringen naar zoiets als de revue werd gekeken. Het was natuurlijk een ongelooflijk marxistische omgeving, die zich fel afzette tegen de populaire cultuur. Dat heb ik altijd een heel rare houding gevonden.'

Bordeel

De revue is, buiten de naslagwerken over de amusementsgeschiedenis, goeddeels onbeschreven gebleven. 't Hart vond alleen een boek van een Franse socioloog die concludeert dat de `hogere bourgeoisie' altijd op revue- en circusmensen heeft neergekeken, en de groepsdans – twaalf meiden op een rij – in verband brengt met het negentiende-eeuwse bordeel: zo stelden de meisjes zich aan de klanten voor. De term revue verwijst nog naar het schouwspel van zang, dans en satirische sketches, dat anderhalve eeuw geleden in Frankrijk ontstond als la revue du fin de l'année aan het eind van het jaar. Ook de eerste Nederlandse revues, rond de vorige eeuwwisseling, stonden nog in het teken van spotternij over actuele gebeurtenissen.

Allengs groeide echter in ons land, uit elementen van de Franse revue en de Engelse variety shows, een genre van eigen makelij. De dansmeiden bleven, de populaire zangers en zangeressen ook, maar de actuele satire werd overgenomen door het cabaret en de hoofdrol ging naar een komiek of een komisch duo. Om hen heen was voortaan de voorstelling gebouwd. Hoewel al het andere onmisbaar was voor het gewenste avondje-uit-gevoel, stond de rolverdeling vast: zang en dans dienden slechts ter garnering, men kwam af op de komieken. ,,Natuurlijk vond ik het leuk mijn vriendin te zien dansen', beaamt 't Hart, ,,maar je zat altijd te wachten tot de komieken weer kwamen.'

In de hoogtijjaren, in de jaren twintig en dertig, draaiden er jaarlijks enige tientallen revues en revuetjes. Grote komieken als Lou Bandy, Johan Buziau en Louis Davids waren de trekpleisters. Desgewenst konden ze de revue-producenten tegen elkaar uitspelen; wie overstapte naar een ander revue-gezelschap, kon er zeker van zijn dat het publiek mee zou gaan. Jarenlang speelden Willy Walden en Piet Muyselaar bijrolletjes in de schaduw van die groten, tot ze in 1938, na het onverwachte succes van een radio-optreden als de kwebbeldames Snip & Snap, werden geëngageerd door de beginnende producent René Sleeswijk. Hij lanceerde hen als sterren in de revue Snap je dat nou juffrouw Snip? Daarmee begon een traditie, die niet alleen de oorlog overleefde, maar ook de eerste naoorlogse decennia. Om hen heen verdween de ene na de andere revue, maar zij hielden stand tot halverwege de jaren zeventig.

Wie nu op videobanden uit het omroeparchief naar oude tv-registraties kijkt, ziet om te beginnen hoe gedateerd de zang en de dans nu zijn. Vlotte jongens en meisjes – de jongens met de borst vooruit, de meisjes op hoge benen – zetten kokette pasjes voor een fleurig achterdoek waarop een quasi-Spaans dorpspleintje, een Japanse tempel of een collage van Parijse lichtreclames is geschilderd. Naar huidige maatstaven is het, afgezien van een enkele sprong of pirouette, meer een sierlijk soort ritmisch flaneren dan dansen. Maar alleen de openingsscène van de revue Tot vanavond (1961) is al genoeg om te zien wat de attractie was: de dansers in smoking, de danseressen in cocktaildress, tot in de puntjes verzorgd, en klaar om een wereld te betreden van elegance en exotica. Niet voor niets wordt elders in deze revue bezongen hoe heerlijk het is per vliegtuig, vrij als een vogel in de lucht, te reizen naar oorden waar de gemiddelde Carré-bezoeker toen alleen nog maar van kon dromen.

Miep en Gerrit

Onverbeterlijk zijn echter nog steeds de twee komieken, die in 1961 al heren op middelbare leeftijd waren met zilvergrijs haar. ,,Ik zie allemaal bekende gezichten', zegt Muyselaar in het openingspraatje – met andere woorden: we zijn vanavond weer onder elkaar, vertrouwd als vanouds. Tien jaar later, in de revue Souvenirs, beginnen Walden en Muyselaar over de vreemde voornamen die tegenwoordig aan kinderen worden gegeven. Zouden er, zegt Walden met goed gespeelde naïveteit, vanavond nog wel mannen in de zaal zitten die gewoon Jan heten, of Kees? Uit de zaal komen bevestigende kreten. En is er bij de vrouwen nog een Miep aanwezig? Of bij de mannen een Gerrit? Prompt is door de simpele rondvraag de band weer gesmeed.

In de sketches, dertig jaar lang vrijwel allemaal geschreven door Jacques van Tol, gaat het vaak over de oude rolpatronen: de man heeft zich laten verleiden tot een huwelijk, maar onmiddellijk is dat aantrekkelijke vrouwtje van vroeger veranderd in een ka, die hem koeioneert en hem al zijn pretjes afneemt, zodat hij een schuinsmarcheerder wordt die de katjes in het donker tracht te knijpen. Tot daden komt het echter nooit, want Sleeswijk zou zijn publiek niet graag onrustig willen maken. Altijd wordt de scheve schaats op het laatste moment verhinderd, tot algehele hilariteit.

Drie mannen en één vrouw zijn met de bridgeclub naar Parijs, in een sketch uit Tot vanavond. De vrouw wil naar het Louvre, de mannen willen vanzelfsprekend naar een veelbelovend ogend olala-etablissement. Met een smoes weten ze zich van de vrouw te ontdoen. Op een komisch holletje lopen ze bij de blootshow naar binnen. Daar hangen schilderijen van dames in diverse staten van ontkleding; de dame helemaal rechts heeft blote borsten. Nu zal de portier hen de schildersmodellen in levenden lijve laten zien. Hij begint links, tergend traag. Walden, de echtgenoot van de vertrokken vrouw, probeert de handeling uit alle macht naar het rechterschilderij te verplaatsen. Veel pret, veel anticipatie. Maar als het – eindelijk – zo ver is, komt uit het deurtje zijn vrouw tevoorschijn. Met een opgeheven paraplu rent ze achter hem aan. Doek.

De mooiste, en de allerminst gedateerde momenten tussen Walden en Muyselaar komen als ze langs elkaar heen praten. Muyselaar gebruikt een uitdrukking die door Walden letterlijk wordt opgevat, en onmiddellijk wordt de conversatie surrealistisch. ,,Jij moet je de kaas niet van het brood laten eten!' roept Muyselaar tot de man die onder de plak zit van zijn vrouw. ,,Ik hóu niet van kaas!' antwoordt deze, en zijn geknepen stemmetje schiet de hoogte in. Dat is het begin. Steeds wanhopiger tracht Muyselaar het gesprek weer in goede banen te leiden, maar Walden denkt dat zijn gesprekspartner hem probeert te bewegen tot het eten van kaas. ,,'t Is me te klef', zegt hij. En zo gaat het minuten lang door, tot er weer een ander misverstand opdoemt.

Het hoogtepunt in deze sector is de ook door Kees 't Hart vermelde scène van de mop die Willy Walden van een voorbijganger te horen krijgt. ,,'t Is niet m'n broer en toch is 't een zoon van mijn vader', is de vraag. ,,Ra ra ra, wie is dat?' Schaterend vertelt de passant het juiste antwoord: ik. Walden begrijpt hem niet, maar besluit hem door te vertellen aan Muyselaar. Maar hij begint meteen verkeerd: ,,'t Is niet m'n broer en toch is 't een zoon van mijn vader. Ra ra ra, wie ben ik?' Muyselaar snapt er niets van en begint vragen te stellen. Wie de broer is, wie de vader is. Walden begint hun beroepen te vermelden. Tien minuten later is de dialoog – twee mannen op een bankje, iets te krappe jasjes, iets te kleine hoedjes – een onbedaarlijke warboel geworden over een fietsenbewaarder, een banketbakker, een zuster van de banketbakker, de fiets van haar broer, enzovoorts, enzovoorts.

Meesmuilend

Voor wie erop let, is het opvallend hoe vaak er al in de revue van 1961 werd verwezen naar de televisie. Voortdurend werden er grapjes over gemaakt, ietwat meesmuilend, want de dames en heren in de zaal zouden zich er door de tv toch nooit van laten weerhouden om naar het theater te komen? Een jaar of vijf, zes later, toen de vrouw van Kees 't Hart er danste, was de televisie de grote concurrent van de revue geworden. Ook in De revue wemelt het van de verwijzingen, al was het maar omdat sommige danseressen toestemming krijgen in tv-shows op te treden en sommige andere niet.

Of de televisie echt het einde van de revue heeft betekend, is de vraag. Nadat de Snip & Snap-revue verdween, was André van Duin nog tien jaar lang met groot succes het middelpunt van zijn eigen revue. Toen hij stopte, verdween meteen ook het genre. Tijdens een discussiebijeenkomst in het Theater Instituut Nederland, vorig jaar, zei Van Duin echter zeker te weten dat er nog een toekomst is: ,,Met een goeie komiek kun je zó weer een revue beginnen.' Maar niemand weet wie die goede komiek is.

Kees 't Hart: De revue. Uitg. Querido, prijs f39,90 vanaf 21 mei in de boekhandel