Oud zeer doet pijn

Niet iedereen zal warm lopen voor de viering van vierhonderd jaar betrekkingen tussen Japan en Nederland, volgend jaar. De drieënhalf jaar dat Japan Nederlands-Indië bezet hield, hebben de relaties de afgelopen halve eeuw bepaald en zullen ook volgend jaar een sombere klank toevoegen aan de blijde geluiden over de lange vriendschapsbanden. Geen sumoworstelaar, geen danstheater, geen origami-wedstrijd, zelfs niet de gouden knopen op de blauwe blazers van ondernemers zullen de schaduw van de bezetting kunnen verjagen.

Bijna vier decennia geleden was het niet anders. Toen in 1961 een Japanse film uitkwam over de kampcommandant Yamaji Tadashi, onder de merkwaardige titel `Blanke huid en gele commandant', laaiden de emoties in Nederland hoog op. De film over deze `goede' commandant van het vrouwenkamp Kampili in Zuid-Celebes was niet zozeer historisch onjuist (Yamaji was niet de hooghartige sla-graag die in enkele andere kampen wel voorkwam), maar als een van de weinige Japanse getuigenissen over de internering was de film voor veel overlevenden te gortig. Een verontwaardigde parlementariër fulmineerde tijdens het begrotingsdebat voor Buitenlandse Zaken: `Oorlogsmisdadigers hebben niet het recht dergelijke films te maken.' Een vervelende bijkomstigheid was dat de Europese vrouwen in de film werden gespeeld door Amerikaanse diplomatendochters te Tokio. De Amerikanen hadden er blijkbaar niet zoveel moeite mee, de Nederlanders des te meer.

Het incident was typerend voor de Nederlandse situatie. De overheid tekende een zwak protest aan bij de Japanse regering, die er verder ook niets aan kon doen, en liet het daarbij. De ex-geïnterneerden reageerden verbeten, ook al had geen van hen de film gezien. Die reactie was begrijpelijk. In de eerste decennia na de oorlog werden hun ervaringen tijdens de Japanse bezetting in Nederland vrijwel genegeerd. Het isolement van de repatrianten leidde tot frustratie en verontwaardiging. De reacties op de film waren de voortekenen van een veel sterker protest dat zich bij latere gelegenheden zou voordoen en dat culmineerde in een reeks van demonstraties en incidenten tijdens het bezoek van keizer Hirohito aan Nederland in 1971.

In zijn boek Japanse besognes beschrijft L. van Poelgeest de scènes rond `Blanke huid en gele commandant' zonder veel ophef en drama. Zo laat hij het foeterende Tweede-Kamerlid niet aan het woord en blijven de Amerikaanse filmdebutantes onvermeld. Hij heeft een gedegen, genuanceerd en vooral lijvig boek geschreven over dertig jaar relaties - het boek behandelt de jaren 1945 tot 1975 - tussen twee landen die nauwelijks iets met elkaar te maken hadden, behalve een nare geschiedenis van oorlog en bezetting. Hoewel, ze deelden nog iets anders: het sprookje van het schiereiland Deshima, waar Nederlanders in de achttiende eeuw voet aan land zetten, en de `bijzondere band' die vervolgens ruim twee eeuwen had bestaan. Het handjevol Nederlanders dat op het kunstmatige schiereiland vertoefde zou Japans `venster op de wereld' zijn geweest, zo werd gezegd en wordt geloofd. Wat het in elk geval níet was, was een Nederlands venster op Japan. Voor Nederland was Deshima niet meer dan een eigenaardigheid en Japan een land van enerzijds nijvere marktverpesters in vredestijd en anderzijds wreedaards in oorlogstijd.

Berechting

De Nederlandse vernedering van bezetting en internering werd al tijdens en direct na de oorlog op allerlei manieren op Japan afgewenteld. Het bleek vlak na de bezetting gemakkelijk om de Japanners van alles en nog wat de schuld te geven, inclusief het succes van de Indonesische onafhankelijkheidsbeweging. De verbetenheid waarmee Nederland het handjevol Japanse deserteurs dat na augustus 1945 aan Indonesische kant meevocht in handen trachtte te krijgen, was een van de merkwaardige uitingen van de preoccupatie met dat `Japanse gif'. Japan had de Indische idylle verstoord.

De afwikkeling van de Japanse bezetting is nooit eerder goed beschreven. Van Poelgeest besteedt in zijn boek uitgebreid aandacht aan de internering en berechting van 300.000 Japanse militairen en ambtenaren na de capitulatie. De episode leeft nog steeds sterk in de herinnering van Japanse veteranen, voor wie de capitulatie en langdurige internering, na hun comfortabele verblijf in Indonesië, een grote schok was.

Bijna twee jaar verbleven de Japanners in kampen en werden ze, zonder onderscheid van persoon en rang, tewerkgesteld als koelies in havens en bij bouwprojecten.

Een veel gehoorde klacht in Japanse veteranenkringen is dat de Nederlandse rechters bevooroordeeld waren. Van Poelgeest ontkent elke vooringenomenheid bij de rechters, maar zijn argumentatie overtuigt niet. In straftoemeting was Nederland weliswaar niet strenger dan andere geallieerde mogendheden, zoals hij als argument aanvoert, maar dat zegt nog niets over eventuele raciale en culturele vooroordelen onder de blanke rechters. Bovendien schortte er procedureel het een en ander aan hun rechtspraak. Zo werden veel Japanners in groepen berecht en was de hoger-beroepsprocedure een farce.

Met de berechting en executie van de laatste oorlogsmisdadigers in 1949 was de zaak nog niet afgedaan. De koloniale geschiedenis bleef doorsudderen, vooral aan Nederlandse kant. We zien een schutterig buitenlands beleid, dat de erfenis van Indië niet kon afschudden. De zaak werd gecompliceerd doordat het Nederlandse beleid vorm moest krijgen in de internationale verhoudingen. Al in de nadagen van de oorlog klaagde Nederland dat het door de andere geallieerden niet voor vol werd aangezien. Den Haag was geobsedeerd door één kwestie: hoe kon Nederland het wegglijdende Indonesië weer in zijn greep krijgen? Hier wreekte zich Nederlands zwakke positie als koloniale mogendheid. Het was niet in staat een vuist te maken, maar moest wel uit de immense politieke problemen met Indonesië zien te komen. Nadat Nederland Indonesië had opgegeven, verdween de animo van Den Haag om uit de pas te lopen met de andere geallieerden en op een aparte regeling voor de Nederlands-Indische schadeclaims aan te dringen. De vredesonderhandelingen werden door Amerika gedomineerd; pas in een laat stadium wist minister D.U. Stikker een clausule in het verdrag te wringen voor beperkte compensatie aan de Nederlandse burger-geïnterneerden.

Verbittering

Tot 1963 bleef de koloniale erfenis het buitenlands beleid beheersen, eerst in de onderhandelingen voor vrede, daarna in de gesprekken over compensatie aan de ex-geïnterneerden uit de Japanse kampen, en tenslotte over Nieuw-Guinea. Vermakelijk, en ook enigszins cynisch in het licht van eerdere Nederlandse ontoeschietelijkheid op Japanse initiatieven, waren de pogingen van minister Joseph Luns om Japan te betrekken bij de kwestie Nieuw-Guinea. Luns gaf het Japanse bedrijfsleven ruime mogelijkheden om in Nieuw-Guinea te investeren en deed vergeefse moeite Japan in het conflict aan de Nederlandse kant te krijgen. Onder druk van Jakarta hield Japan de boot af.

Indië verdween, Nieuw-Guinea werd afgestaan. Wat bleef: een overheid die zich moeizaam een weg baande door de gevoeligheden van de oorlogsgeneratie en die tegelijk het beste moest zien te halen uit onderhandelingen met een opstomende Japanse handelsmacht. Dat was voor een groot deel een binnenlands probleem. Van Poelgeest, dikwijls voorzichtig, is daarover helder als bronwater: de Nederlandse overheid schoot tekort. Zij weigerde het achterstallige salaris van de ex-geïnterneerde militairen uit te betalen, en verzuimde bovendien Indië een duidelijke plaats te geven in de oorlogsherdenkingen. De Indische gemeenschap raakte zodoende verbitterd. Vreemd genoeg legde de Nederlandse regering in haar relatie met Japan wél een grote gevoeligheid aan de dag. Japanse initiatieven, vooral op cultureel terrein, brachten de Nederlandse diplomaten en regering voortdurend in verlegenheid. Verzoeken om steun en medewerking werden geweigerd of bleven onbeantwoord. Zuinigheid was troef. Door het halfhartige optreden liet Nederland een kans schieten de eeuwenoude `bijzondere band', hoe mythisch die ook was, te vergulden.

Van Poelgeest heeft in Japanse besognes een indrukwekkend archiefonderzoek verricht. Opmerkelijk is helaas de totale afwezigheid van Japanse (en Indonesische) bronnen. Hoe zat het met de post-koloniale gevoelens aan de Japanse kant? We kunnen er slechts naar gissen. Even opvallend is het ontbreken van mondelinge getuigenissen. Er komt geen oorlogsveteraan, geen oud-ambtenaar, geen zakenman of oud-rechter aan het woord. Ook dat is jammer, want het had Van Poelgeests relaas kunnen verluchtigen en meer gewicht kunnen geven aan onmeetbare problemen als de vooringenomenheid van rechters of andere mentaliteitskwesties. Tegenover dat ontbreken van stemmen staan vooral nota's en ambtelijke brieven. Het geschreven woord is kennelijk heilig, de correspondentie van Buitenlandse Zaken sacrosanct.

Van Poelgeest stopt in 1975, toen het Nederlandse economische beleid werd overgedragen aan het gezamenlijke verband van de Europese Gemeenschap. Wat niet verdween, was het koloniale verleden. De interne Nederlandse dilemma's zijn onoplosbaar gebleken. Als de Japanse keizer volgend jaar Nederland bezoekt en de oorlogsgetroffenen opnieuw in protest aantreden, als de Japanse en Nederlandse overheden naast de vele woorden van vriendschap ook van leed en spijt zullen getuigen, dan kunnen we in Japanse besognes nalezen waar we dit refrein eerder hebben gehoord.

L. van Poelgeest: Japanse besognes. Nederland en Japan1945-1975. Sdu Uitgevers, 591 blz. ƒ79,90