Literaire tijdschriften

Een keer in de drie jaar worden de literaire tijdschriften beoordeeld die een subsidie hebben aangevraagd. Dat gebeurt door een commissie, die alles bij elkaar zo'n zes ton te verdelen heeft over zo'n vijftien literaire tijdschriften. Gemiddeld is dat zo'n 40.000 gulden per jaar. Als je goed bent, krijg je een onsje meer en als je minder goed bent krijg je een onsje minder.

Dat het hier niet echt om een vetpot gaat, kan misschien duidelijk worden gemaakt aan de hand van een van de randvoorwaarden die voorschrijft dat een literair tijdschrift aan honorarium ten minste 35 gulden per vierhonderd woorden dient te betalen. Dit stukje is achthonderd woorden lang. Zou het in een literair tijdschrift staan, dan zou ik er zeventig gulden voor krijgen. Dat is ongeveer de helft van wat een werkster verdient, maar die krijgt het nog zwart.

De mensen die de literaire tijdschriften vullen, doen het dus zeker niet voor het geld. Zij doen het uit een vreemd soort gedrevenheid, die ik nogal sympathiek vind. Dat het meeste van wat in al die tijdschriften verschijnt niet zo geweldig goed is, houdt me eerlijk gezegd niet wakker. Als je bedenkt dat in Nederland vijf weekbladen al de grootste moeite hebben zich elke week te onderscheiden, dan voel je wel voor welke schier onmogelijke taak die vijftien literaire tijdschriften staan. Een taalgebied als het Nederlandse zou met twee literaire tijdschriften kunnen volstaan, maar aan de andere kant heeft al dat gekrioel van tijdschriftjes, krantjes en blaadjes ook wel weer iets aandoenlijks. Als daaruit eens in de drie jaar een nieuwe schrijver zou opstaan, is het al geen weggegooid geld meer.

Maar nu de commissie. De leden daarvan komen af en toe bij elkaar om die paar schijtcenten onder de literaire tijdschriften te verdelen. Zij stellen dan een deftig rapport op waarin ,,de inhoudelijke kwaliteit van een blad en van de bijdragen, alsmede de organisatiegraad en kwaliteit van de redactievoering bij de beoordeling voorop staan.'' Wat de commissie nou precies onder kwaliteit verstaat, daarover wordt in al die rapporten wijselijk gezwegen. Ik zie trouwens ook niet helemaal voor me hoe ik de organisatiegraad van de redactievoering zou moeten meten. Stel je voor dat je de pech hebt om een prachtig gedicht in te sturen naar een tijdschrift waar de organisatiegraad van de redactievoering niet voldoet aan de hoge eisen van de commissie, loop je dan als auteur die 0,003 cent subsidie mis?

Waar de commissie ook heel goed in is, is in het opstellen van verschillende categorieën. Er is een standaardsubsidie plus premie, een standaardsubsidie zonder premie, een stimuleringssubsidie, een overgangssubsidie en er is een categorie geen subsidie. Van elk tijdschrift wordt in een regeltje of tien vastgesteld tot welke categorie het wordt gerekend. Daarbij kom je al die holle frasen tegen die een zichzelf respecterende schrijver tracht te vermijden: tekstueel, creatief, speels, verrassend, uitstraling, sluipenderwijs, meanderende verbinding tussen de bijdragen, prikkelend, voordeel van de twijfel, enzovoort.

Mij verbaast het altijd weer dat er mensen bereid zijn om in zo'n commissie plaats te nemen. Het kost veel tijd en meestal is het niet meer dan nattevingerwerk. Doorgaans weet iedereen vantevoren al hoe die gelden worden verdeeld en vindt dat vergaderen alleen maar plaats om al die inspanningen een schijn van serieusheid te geven.

Er komt ook altijd een moment dat de behoefte ontstaat om een keer `nee, zo kan het niet langer' te roepen en een subsidie in te houden. Dat geeft een gevoel van macht, het gevoel ook dat men werkelijk iets belangrijks aan het doen is. Een paar jaar geleden was Hollands Maandblad daar de dupe van en dit keer is het de beurt aan Maatstaf.

Wat mij ook verbaast is dat die literaire tijdschriften zich zo gewillig door zo'n vijfjes en zesjes uitdelende commissie laten beoordelen. Soms krijgen ze als kleine kinderen een vermaning om beter hun best te doen. Het tast elk gevoel van eigenwaarde en zelfstandigheid aan, zou je zeggen, maar ze slikken het. Literatuur in Nederland is vooral braaf zijn.