Leed maakt juist agressief

Het Kaffeehaus als `overslagplaats van ideeën en neuroses' speelt een belangrijke rol in het werk van drie vernieuwende joodse Weense schrijvers.

Fier staat hij op zijn sokkel: Dr. Karl Lueger, de populairste burgemeester die Wenen ooit heeft gekend. Rond de eeuwwisseling schonk Dr. Lueger zijn stad niet alleen parken, ziekenhuizen en schoon drinkwater, maar ook een krachtige jodenhaat, waar Adolf Hitler tijdens zijn verblijf in Wenen veel van leerde. Tegenover Dr. Karl Lueger staat een café en in dat café zit een jood. Een jood en Wener en schrijver: Doron Rabinovici (1961) is de auteur van een veelbesproken roman over... ja, over cafés en Weners en joden. Dit is het begin van Suche nach M.: ,,Het café, zijn stamkroeg, was na de oorlog verbouwd. De muren waren gewit, één zijde glansde spiegelend. De nieuwe bankbekleding was van groen kunstleer.''

Bij al dat groene kunstleer steekt het gezicht van de schrijver bleek af. Rabinovici tuurt door het raam naar het standbeeld, schudt het hoofd en zegt: ,,Wenen is voor mij niet alleen de stad van Karl Lueger of Adolf Hitler. Wenen is ook een joodse stad. Hier ontstond het socialisme van Viktor Adler en het zionisme van Theodor Herzl. Sigmund Freud ontwikkelde hier de psychoanalyse en Arthur Schnitzler vond hier de stof voor zijn psychopathologische drama's. Juist door de wrijving met het antisemitisme nam de joodse creativiteit in Wenen zo'n hoge vlucht.'' Hij zucht. ,,Eerst heb je dus die ontstellend vruchtbare Jahrhundertwende. Dan komt er een groot gat, een breuk. En dan komen wij, de nieuwe joodse schrijvers. Elfriede Jelinek en Robert Schindel en Robert Menasse en ik. Ook wij reageren op antisemitische tendenzen, op de nog steeds niet overwonnen wrijvingen. Maar wij doorbreken het pathos met humor. Wij kunnen ons in anderen inleven want wij hebben geleerd om goed naar de taal van de anderen te luisteren.''

Doron Rabinovici werd in Tel Aviv geboren en kwam op zijn tweeënhalfde met z'n ouders naar Wenen. ,,Ik sprak alleen Ivriet, ik wilde terug naar Tel Aviv. Maar gaandeweg kreeg de Duitse taal mij te pakken. Het feit dat ik schrijf is in tegenspraak met de geschiedenis. Ik had uitgeroeid moeten worden, mijn familie had niet mogen bestaan. Het feit dat ik in het Dúits schrijf is een dubbele tegenspraak, want Duitstalige joden werden het meest van allemaal gehaat.''

Suche nach M. is op het eerste gezicht een vrolijk boek. Het heeft de sprankeling van het fantastische genre en de suspense van een thriller.Vermommingen, persoonsverwisselingen en maskerades zorgen voor geraffineerde schijnbewegingen, die de lezer ademloos volgt. Maar de helden van Suche nach M. vermommen zich niet voor hun lol. Arieh en Dani worden opgejaagd en achtervolgd door schuldgevoelens. Hun ouders leven na de schok van de shoah alleen nog voor hun kroost en dat kroost stelt uiteraard teleur. En Arieh, die wil inplaats van achtervolgde achtervolger zijn. Hij duikt onder in de geheime dienst van Israël en maakt jacht op vijanden van de staat. Dani blijft in Oostenrijk en lokt schuldigen in de val door zelf de schuld op zich te nemen van alle daar gepleegde misdaden: ,,Ik was het. Ik ben het. Ik heb het gedaan.'' Hij identificeert zich zo sterk met de daders dat zij bezwijken onder zijn ondraaglijke beschrijvingen van henzelf. Dani's gave eist zijn tol: een vreselijke huiduitslag begeleidt zijn bekentenissen en om de zweren te bedekken zwachtelt hij zich van top tot teen in. Zo dwaalt hij door de straten, gemeden en vervolgd, als een joods schuldfantoom.

Drie soorten schuld

,,Er bestaan,'' legt Doron Rabinovici uit, ,,minstens drie soorten schuld. Een feitelijke schuld wil zeggen dat je iets hebt misdaan. Een schuldgevoel kun je hebben zonder iets te hebben misdaan. En schuldbesef betekent: je hebt iets misdaan en bent je daarvan bewust. Wat niet vanzelfsprekend is. Je kunt namelijk iets hebben misdaan en je er geenszins bewust van zijn. Kun je je niet voorstellen wat je misdaan hebt, zoals een van de moordenaars in mijn boek, dan heb je het makkelijk. Makkelijker dan zo'n type met schuldgevoelens. In mijn roman laat ik hopelijk zien dat je als tweede-generatie-jood niet in je schuldgevoelens moet blijven steken. Je vindt jezelf niet wanneer je zoals Dani de martelaar uithangt of zoals Arieh de jager. Dat zijn rollen die geen toevlucht bieden maar alleen vervreemding en verstrikking.''

Zelf probeert Rabinovici van zijn tweede-generatie-schuldgevoelens af te komen door met die rollen te spelen, in zijn fictieve werk, en door ze tegen het licht van de geschiedenis te houden, in wetenschappelijk werk. Instanzen der Ohnmacht heet de studie waarmee hij bezig is: instanties van de machteloosheid. ,,De leiding van de joodse gemeente in Wenen werkte nog meer dan die in Holland met de nazi's samen. Dat komt zo: in Wenen was voor joden de vlucht, de emigratie mogelijk, ook nog in de tijd van de eerste deportaties. De wild geworden antisemieten op straat, de normale Weners zeg maar, wilden het geld van de joden en er dan op los slaan. De nazi's wilden het geld van de joden en dan mochten ze emigreren. Dus deden de joodse leiders er verstandig aan met Eichmann te onderhandelen.'' Even laat de historicus zijn academische koelheid varen. ,,De gangbare verwijten aan de coöperatieven zijn zo grof! Alsof dat samenwerken hùn schuld was! De brutaliteit om de overlevenden aan te praten dat zij de ergsten waren! De droevige waarheid luidt: de Duitse en Oostenrijkse joden zouden zich nooit zo hebben gedragen als de autochtone Duitsers en Oostenrijkers. Want de joden waren het meest liberale en meest democratische element van de samenleving.''

De liberale, geletterde joodse immigrantenkinderen, neerkijkend op zowel het joodse als het niet-joodse plebs, ontmoetten elkaar bij voorkeur in het Kaffeehaus. Ze zaten er te schrijven, ze lazen en becommentarieerden er de Europese kranten en ze genoten er van de beschaafde en kosmopolitische sfeer. Natuurlijk bestaat de klandizie van de koffiehuizen niet meer voor negen-tiende uit joden – zoals Wenen ook geen tweehonderdduizend joden meer huisvest maar minder dan twintigduizend. En toch: de kranten en iets van de sfeer zijn gebleven. En af en toe zit er nog iemand te schrijven. ,,Elke Weense schrijver,'' zegt Robert Menasse, ,,heeft zijn eigen Kaffeehaus. Thomas Bernhard zat in Braunerhof, Georg Tabori laat zich graag zien in Landtmann. Doron Rabinovici en Robert Schindel zijn te vinden in Prückel en ik in Café Sperl.'' Trots wijst Menasse naar de vergeelde muren en het met stucwerk versierde plafond: ,,Alles Jahrhundertwende. Niets aan veranderd sindsdien.''

Een kelner met perkamenten oren buigt voor zijn tafeltje. ,,Doktor Menasse, hoe gaat het met u. Doktor Menasse, uw wijn.'' Robert Menasse (1954) schreef erudiete essays, over de onnadenkende omgang van de Oostenrijkse natie met haar nazi-verleden bijvoorbeeld. Zijn romans hebben een filosofische inslag; ze behandelen het probleem van de ervaring, die nooit direct is omdat er steeds reflectie tussen zit. Reflectie over een vroeger leven in Wenen. Dat denken de personages achtergelaten te hebben, maar eigenlijk nemen ze het overal mee naar toe. Naar een gat in de Oostenrijkse provincie of naar een stad heel ver weg: zo speelt Sinnliche Gewissheit zich af in São Paulo. Daar zoeken de Weense émigrés elkaar op in Bar Esperança, die zij al snel Bar jeder Hoffnung noemen: wars van elke hoop. Of, zoals de pas verschenen Nederlandse editie van Sinnliche Gewissheit heet: Bar Hopeloos.

,,Deze joodse Weners in ballingschap,'' zegt Robert Menasse, ,,zetten hun Kaffeehauscultuur voort in een bar. De bar is de overslagplaats van zowel hun ideeën als hun neurosen. Daar wordt gedronken, daar wordt gediscussieerd, daar wordt de wereld verklaard. Het Kaffeehaus, heeft publicist Anton Kuh eens gezegd, is een Weltanschauung die het mogelijk maakt de wereld te aanschouwen.''

Menasses vader: aanschouwde die niet voor het eerst de wereld in een Kaffeehaus? ,,Niet mijn vader! Ik! Een te snelle bevalling in het café waar mijn moeder kaart zat te spelen. Ze was licht verbitterd omdat ze het spel dat ze zou hebben gewonnen moest afbreken. En de jas die ze aantrok toen de weeën begonnen heb ik kapotgemaakt. Ik ben een bevoorrecht man: ik hoef maar naar het Kaffeehaus te gaan om in de uterus terug te keren!''

Terugkeren en vertrekken: dat is Menasses leven. Regelmatig vlucht hij net als zijn romanfiguren vanuit Wenen naar het platteland, naar São Paulo, naar Amsterdam. ,,Die rusteloosheid,'' meent hij, ,,is een deel van mij. Mijn ouders vluchtten voor de nazi's naar Engeland en Bar Hopeloos gaat over dat overgeërfde ballingengevoel. De angst, de onzekerheid, de poging ergens houvast te vinden en tegelijk het onvermogen je te binden aan de plek waar je bent.'' Menasse drinkt een, twee, drie, vier, vijf glazen wijn en beweert nu dat de angst die hem zo vaak doet vluchten onbestemd is en niet speciaal gericht op Wenen. ,,Als ik vandaag de dag in Wenen een oudere heer ontmoet was hij in de nazitijd hooguit een baby. Te leven met de voormalige daders is wel het geringste probleem, want zij zijn zo goed als uitgestorven.''

Ook de rechtsextremistische leider Jörg Haider kan hem geen angst aanjagen. ,,In mijn essays heb ik eraan bijgedragen dat men Haider niet meer zo demoniseert. Wat men demoniseert wordt gevaarlijk. Wat men op de snijtafel legt en ijskoud ontleedt daarentegen wordt banaal, gewoontjes. Men moet een man als Haider niet negeren maar er zich ook niet op fixeren. Haat maakt immers blind. Wat heeft het dus voor zin om Oostenrijk de grond in te stampen? Laat Elfriede Jelinek dat maar doen! Ik verlaag me niet tot de productie van Anti-Heimat-literatuur; die is sowieso al te lang in de mode geweest.'' Zijn conclusie klinkt stoer: ,,Oostenrijk is een land waarin ik me nog niet wil laten aanpraten dat ik vervolgd kan worden.''

Realiteitszin

Het is een opinie waaraan je stevig gaat twijfelen bij het zien van Professor Bernhardi, een `Oostenrijkse komedie' over een menslievende joodse arts die door zijn collega's wordt uitgekotst en in de gevangenis komt. De acteurs van het Burgtheater spelen het drama van Arthur Schnitzler zo echt dat je even vergeet dat het al in 1912 werd geschreven. ,,Vroeger,'' zegt Robert Schindel in Café Prückel, ,,vond ik Schnitzler met zijn röntgenblik maar kil en harteloos. Maar als ik nu zijn Professor Bernhardi lees of Jugend in Wien of Der Weg ins Freie, dan sta ik versteld van de overeenkomsten met het heden. De discussies die zijn personages voeren over vooroordelen en joodse zelfhaat en bevrijdingspogingen en de pijnlijke omgang met gojim: wat een realiteitszin!''

Over dezelfde thema's gaat Schindels eigentijdse roman Gebürtig. De joodse mannen in Gebürtig zijn gebiologeerd door blonde vrouwen die de last van het verleden niet kennen en de niet-joodse mannen in Gebürtig gaan op de zwaarmoedigheid van joodse vrouwen af als wespen op aardbeienjam. Ze proberen elkaar te begrijpen, die mannen en vrouwen; ze voeren ellenlange debatten in Café Prückel en andere Weense etablissementen en steeds is er die glazen muur die de ene groep van de andere scheidt. Hier een passage vanuit het perspectief van een nieuwkomer in het café die heimelijk verliefd is op de joodse Mascha: ,,Je zou toch denken dat juist de joden een gevoeligheid voor discriminatie ontwikkeld hebben, maar inplaats van zich met hem te verbinden omdat zijn vreemdheid toch op hun eigen vreemdheid lijkt, blazen zij zichzelf op tot het summum van urbane intelligentie. Juist zij, alsof ze in deze stad niet tot lachens toe vernederd werden voordat men hen deporteerde. Masochistisch tot aan de vergassing, maar voor zijn ogen met hun slachtofferschap pronken. Hem dan in de kou laten staan.''

Gebürtig irriteerde in en buiten Wenen: dacht je je eindelijk in de normaliteit te kunnen verschansen en dan komt zo'n jood zout in de wonden strooien. ,,Er bestaat geen normaliteit, alleen schuld en onschuld'', zegt iemand in Gebürtig. Met compassie schrijft Schindel over de Prinz von Polen, die als kleine jongen moest toezien hoe de Koning van Polen, zijn vader, joden hun eigen graf liet graven. Dat alles in een slonzige stijl, precies als de sfeer in een Kaffeehaus na een avond vol sigaretten en drank. Precies als de levensstijl van Schindels hoofdpersonen. Stabiliteit: ho maar, en hoe de gepijnigden elkaar op hùn beurt pijnigen, dat lees je niet zonder gêne.

,,De gêne van de kinderen van de slachtoffers lijkt op die van de kinderen van de daders. Ik snap hun twijfels best. Niemand weet hoe hij zich in 1938 zou hebben gedragen. Ook de joden weten dat niet. Joden hebben geen betere genen dan andere mensen en wie verontwaardigd is over de misdaden begaan door Israël verbeeldt zich dat leed loutert. Maar leed maakt juist agressief!'' Ook Robert Schindel, in 1944 op een Weens onderduikadres geboren als zoon van gedeporteerde communisten – ook Robert Schindel, die zijn moeder terugvond en al snel ruzie met haar kreeg over het Hitler-Stalin-pact – ook Robert Schindel heeft zo zijn agressieve buien.

,,Van zuipfeesten, biertenten, mannenmoppen, van dat dijenkletsende, vrouwenverachtende, mensenverachtende, in alcohol verdronken bestaan van de Oostenrijkse Spiesser ga ik over mijn nek. Die schlagermuziek die eerder de laagste instincten opwekt dan de vaardigheden van de bevolking...'' Dat is, peinst hij, het verschil tussen kitsch en kunst: ,,Kitsch restaureert de instincten, kunst de menselijke vermogens. Met behulp van kunst, van taal, kan ik oplossingen zoeken, dingen nog eens laten gebeuren, driften beheersen. Ik geloof niet in God maar in communicatie. En op de lange termijn geloof ik in een vreedzaam samenleven. Maar niet in mijn generatie. Niet nu.''

Doron Rabinovici: `Suche nach M.' uitg. Suhrkamp, 1997; adviesprijs: f50,40.

Robert Menasse: `Bar Hopeloos', uitg. De Arbeiderspers 1998; prijs: f49,90

Zalige tijden, breekbare wereld, 1996 prijs f39,90; dit jaar verschijnt het nog te vertalen `Schubumkehr' (1995).

Robert Schindel: `Gebürtig', 1992 uitg. Suhrkamp; adviesprijs: f53,20.

Wenen is niet alleen de stad van Adolf Hitler. Wenen is ook een joodse stad

Ik geloof niet in God maar in communicatie