Kabinet contra Bijlmer

NADAT HET KABINET eerst het politieke vuur heeft aangewakkerd en vervolgens het sociale brandje in de Bijlmer heeft proberen te blussen, is het aan de vooravond van de parlementaire behandeling van het enquêterapport nu toch echt begonnen met serieuzer weerwerk. In antwoord op vragen uit de Tweede Kamer weerspreken de ministers het verwijt dat ze het parlement onduidelijk, ontijdig, onvolledig of onjuist zouden hebben geïnformeerd. Als het om dit soort conclusies gaat, ligt de ,,lat'' volgens de ministers ,,met reden hoog''. Maar een ,,absolute garantie voor volledigheid en juistheid is niet steeds te geven'' omdat de bewindslieden moeten kiezen tussen ,,snelheid en volledigheid''. Het openbaar bestuur is in de ogen van de regering dus wel degelijk een eenheid. De diagnose dat de overheid zo gefragmentariseerd is dat ze niet doeltreffend kan opereren, doet ,,de werkelijkheid geweld aan''. De kritiek dat de minister-president geen moment heeft ingegrepen, kan de regering derhalve evenmin onderschrijven. In de Nederlandse staatsrechtelijke traditie hoort, aldus het kabinet, de premier geen ,,regisserende of dirigerende rol'' te spelen.

Vooral dit laatste argument overtuigt niet. Het geeft geen pas dat politici die eens per vier jaar electorale campagnes voeren die de suggestie wekken dat de burgers een premier kunnen kiezen, zich na de verkiezingen verschuilen achter een traditie die in de jaren dertig al aan erosie onderhevig was en sinds de jaren zeventig feitelijk niet meer in haar pure vorm bestaat.

DE ANDERE pogingen om de verwijten te weerleggen, lijken meer hout te snijden. De regering wil terecht niet dat aan haar ,,integriteit'' wordt getwijfeld. Ware het niet dat de antwoorden van de enquêtecommissie op vragen uit de Tweede Kamer evenzeer serieus genomen moeten worden.

In een helderheid die het Bijlmerrapport Een beladen vlucht niet zou hebben mistaan, zet de commissie de hoofdlijnen nog eens uiteen. Ten eerste hebben de ministers van Verkeer & Waterstaat en Justitie hun beleid niet onderling afgestemd toen het moest gaan om een strafrechtelijk onderzoek naar de ramp en vooral de vermissing van de cockpit-voicerecorder. Ten tweede had de minister van VROM eerder moeten inspringen toen vragen rezen over het verarmd uranium. Ten derde zou het de minister van Binnenlandse zaken niet hebben mistaan om de informatievoorziening naar zich toe te trekken. Ten vierde was het goed geweest als de minister van VWS eerder het initiatief had genomen voor epidemiologisch onderzoek naar de gezondheidsklachten. Want, aldus de commissie, ook het AMC in Amsterdam ontkent de relatie tussen de ramp en de klachten niet, al weet het niet hoe dat patroon is te duiden. Deze trits, ten slotte, zou een coördinerende rol van de premier hebben gerechtvaardigd.

DE POSITIE die het kabinet nu inneemt, duidt er op dat de coalitie de consequenties van de Bijlmerenquête op strikt politiek niveau wil afhandelen. De problemen met de grondwetswijziging (referendum) in de Eerste Kamer zijn immers al onvoorspelbaar genoeg. Bovendien is de belangstelling voor het Bijlmerdossier ook onder invloed van het internationale gesternte danig verminderd. Om een crisis zit niemand dus verlegen.

Deze keuze van Kok is zeker kansrijk. Maar mocht hij slagen in zijn opzet, dan wordt de kern van de diagnose van de Bijlmerenquête geen recht gedaan en is het wachten slechts op het volgende incident dat de effectiviteit van het openbaar bestuur blootlegt.