Kabinet botst met Bijlmercommissie

Het kabinet zet grote vraagtekens bij de belangrijkste conclusies uit het eindrapport van de parlementaire enquêtecommissie Vliegramp Bijlmermeer. Dat blijkt uit de schriftelijke reactie van het kabinet op vragen vanuit de Tweede Kamer over het eindrapport.

Uit de antwoorden van de commissie, die vanmiddag openbaar werden, blijkt echter dat ze achter haar conclusies blijft staan en die op een aantal punten aanscherpt.

In haar eindrapport oordeelde de commissie dat premier Kok in de nasleep van de Bijlmerramp ,,niet in overeenstemming met zijn functie'' had gehandeld. Het kabinet verwerpt die conclusie en stelt dat in de Nederlandse staatsrechtelijke verhoudingen de coördinerende rol van de premier beperkt is. De enquêtecommissie geeft vier `overwegingen' waarom de premier initiatief had kunnen nemen. ,,Wanneer het onderwerp was geagendeerd in de ministerraad, en er afspraken waren gemaakt over coördinatie en over de integrale behandeling van de resterende vragen, had het dossier in een eerder stadium bevredigend kunnen worden afgewikkeld.''

Het kabinet wijst de kritiek op minister Borst (Volksgezondheid, D66) af, maar de commissie houdt vol dat zij onvoldoende heeft gedaan om de ,,onzekerheid bij bewoners en hulpverleners in de nasleep van de ramp te reduceren. Hierdoor is stress ontstaan die de afgelopen jaren heeft geleid tot een toename van het aantal klachten naar aard en aantal.''

Het kabinet vindt dat er sinds 1992 maar enkele keren fouten zijn gemaakt bij het informeren van van de Kamer. Volgens het kabinet doet de commissie de werkelijkheid geweld aan. Het beroept zich er op dat het afhankelijk was van informatie van derden waarbij het vaak ging om kwesties waarbij ,,het leveren van afgeronde, eenduidige informatie onmogelijk is''. De commissie stuurt de Kamer vandaag een lijst met zeventien momenten waarop het parlement onduidelijk, onvolledig, ontijdig en onjuist is geïnformeerd. In de antwoorden op Kamervragen worden daaraan nog twee aspecten toegevoegd die betrekking hebben op oud-minister Maij-Weggen (Verkeer en Waterstaat). Zij heeft de Kamer volgens de commissie in 1994 onjuist geïnformeerd over een ECD-onderzoek en moet ook verantwoordelijk worden gehouden voor ,,nalatigheid'' van het Bureau Vooronderzoek van de Rijksluchtvaartdienst.

Met betrekking tot de commotie die ontstond nadat de commissie had geciteerd uit de bandopname met een verkeerde lijst met gevaarlijke stoffen, erkent de commissie dat dit punt ,,achteraf gezien op een andere wijze in de openbare verhoren aan de orde had moeten worden gesteld''. De commissie zegt het incident zeer te betreuren.

HOOFDARTIKEL: pagina 7