J. Presser: Ondergang, 1965

Elk jaar, wanneer het tegen mei loopt, verschijnen ze weer, nieuwe boeken over de Bezettingsjaren. Vijf jaren die voor de één onherroepelijk traumatisch zijn, voor de ander `zwarte bladzijden' of `een hele nare tijd'; voor weer een ander vormen ze een spannende periode, `waarin tenminste nog eens wat gebeurde' en aan onderzoekers bieden ze een keur van onderwerpen, die klinisch dienen te worden behandeld zoals elk ander historisch onderwerp.

Ook het boek Ondergang. De vervolging en verdelging van het Nederlandse jodendom, 1940-1945 verscheen in het voorjaar, in april 1965. Twintig jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog en vijftien jaar nadat de auteur, de Amsterdamse hoogleraar Jacques Presser (1899-1970), de regeringsopdracht had aanvaard om dit boek te schrijven. Men had in 1950 gemeend dat hij er zo'n twee tot tweeëneenhalf jaar over zou doen en dat de studie niet meer dan vijfhonderd bladzijden zou beslaan. Het werden er ruim tweemaal zoveel. Chronologisch en minutieus beschrijft Presser, in acht hoofdstukken, de anti-joodse maatregelen die door de Duitsers werden genomen.

Presser scheurde een wond open in de Nederlandse samenleving, die lang bedekt was gebleven: `een moord met voorbedachten rade', zoals hij het zelf in de beginregels noemde, een moord onder de ogen van de Nederlandse bevolking. En hoewel er vóór 1965 ook genoeg over de bezettingsjaren was gepubliceerd, lijkt de stroom toch dat jaar echt op gang te zijn gekomen. Meerdelige reeksen zoals het levenswerk van L. de Jong, proefschriften, losse artikelen, memoires, teruggevonden dagboeken en zelfs stripverhalen, om nog maar te zwijgen over andere media als film, radio en televisie. Het is een sinistere goudmijn, die nog lang niet is uitgeput.

Pressers rol was een bijzondere. Hij werd de geschiedschrijver van een tijdperk waarin hij en de zijnen zelf slachtoffer zijn geweest. De joodse historicus Presser heeft het allemaal meegemaakt: de stelselmatige beroving van alle rechten, zijn ontslag als leraar aan het Vossius Gymnasium, twee razzia's waarbij hij en zijn vrouw werden opgepakt en op het nippertje werden vrijgelaten, het wegvoeren van kennissen. De grootste slag kwam toen in 1943 zijn vrouw, op pad met een slecht vervalst persoonsbewijs, werd aangehouden en nooit meer terugkwam. Daarna zat hij, tot de bevrijding, ondergedoken.

Was deze emotionele betrokkenheid voor Presser geen bezwaar? Kon hij nog wel de nodige distantie opbrengen om zo'n omvangrijke en beladen onderzoek aan te vatten? Onbevooroordeeld was hij natuurlijk niet, emotieloos al helemaal niet. Presser was een hypersensitief man en het moet hem oneindige moeite hebben gekost om dit werk te voltooien. Wie Ondergang begint te lezen, wordt al na een bladzijde of dertig, veertig overvallen door een gevoel van beklemming, zoveel minachting en haat staat al in dat kleine aantal pagina's beschreven. Er is dan nog niemand gedeporteerd, en er zijn nog ruim 900 bladzijden te gaan. Wanneer de lezer al moeite heeft om dit drama van begin tot eind door te komen, hoe moet het de geschiedschrijver dan niet zijn vergaan?

Eindeloos veel dossiers heeft Presser doorgenomen, tientallen betrokkenen heeft hij gesproken. Over hen schrijft hij dat het verleden bij niemand werkelijk vergeten was, en `vrijwel nimmer bleek verwerkt'. Dat laatste sloeg ook op hemzelf. En toen moest hij het nog opschrijven. In zijn voorwoord deelt de historicus mee dat hij meer dan eens aan de voltooiing van zijn werk heeft getwijfeld. Waarom heeft hij het dan toch gedaan? Hij kon kiezen, schrijft hij, eveneens in dat voorwoord, tussen zwijgen of schrijven. Een derde mogelijkheid was er niet. Zonder vergeten kan de mens niet leven, luidt het motto van Albrecht Goes voorin het boek, `aber zuweilen muss einer da sein, der gedenkt'. Dat is zijn drijfveer geweest: `de zedelijke plicht om dit boek te schrijven'. Presser voelde de roeping om `de tolk te zijn van hen, die, tot een eeuwig zwijgen gedoemd, alleen hier en nu, alleen deze éne keer, zich nog eens konden doen horen'. En, iets verder: `Zij hadden niemand anders in deze wereld dan de geschiedschrijver, die hun boodschap kon doorgeven'.

In Ondergang wordt heel precies de systematische vernedering, isolering, beroving, deportatie en vernietiging van de Nederlandse joden beschreven. Het is een wurgend boek over de onwrikbare logica der Duitsers. Het begint dan ook met de zin `Dit boek behelst de geschiedenis van een moord. Een moord, tevens massamoord, op nimmer gekende schaal, met voorbedachten rade en in koelen bloede gepleegd.' Daarmee is de toon gezet. Die toon is stellig, de analyse systematisch, de argumentatie overtuigend. Tot zover was Presser een traditionele historicus, die bronnen zoekt, wikt en weegt, de chronologie handhaaft en duizend bladzijden lang de regie over het materiaal blijft beheersen. De kracht van het boek is onder andere dat hij oog heeft voor het menselijk detail, zonder dat hij de grote lijn uit het oog verliest. Maar het is geen klinisch boek, daarvoor is de auteur te aanwezig, worstelend met distantie en empathie. Presser voert zichzelf regelmatig ten tonele, de ene keer expliciet als `deze historicus' of `schrijver dezes', de andere keer als iemand die deelnemer was aan de beschreven geschiedenis; zelfs zijn persoonsbewijs is afgedrukt, evenals gedichten van zijn hand. Geregeld leest men een machteloos `ach ja'.

Implicieter is de werking van zijn stijl en woordkeus. Het is alsof er onder dit boek een tweede boek ligt: de kroniek van een van de 140.000 slachtoffers. De ene keer is het de absurditeit die getoond wordt, zoals de tot het in het extreme doorgevoerde bureaucratie van de anti-joodse maatregelen (over een registratieformulier uit 1940 dat in vijf kleuren werd gedrukt: wit, blauw, paars, donker- en lichtgroen; carbonpapier ertussen, waarover hij opmerkt `Het is allemaal erg keurig - niet eens duur voor vijftig cent'). Dan weer is er de nauwelijks verhulde woede, de ingehouden verontwaardiging, het gevoel van onmacht met terugwerkende kracht. Dat alles gedempt tot cynisme of tot een gelaten ironie. En soms is het meededogen over de weerloosheid of de naïviteit ten opzichte van de bezetter die uit zijn woorden spreken. Presser moest ook letterlijk opschrijven tegen het onvoorstelbare. Aan die persoonlijke opwellingen van wanhoop en moedeloosheid dankt het boek zijn beklemming die van de eerste tot de laatste bladzijde behouden blijft. Zonder die betrokkenheid te laten blijken had Presser dit boek nooit kunnnen schrijven.

Pressers boek verscheen 34 jaar geleden. Velen hebben het na verschijning bewust niet gelezen. Het was hen teveel, men durfde niet, men wilde het niet meer weten, of men wist het allemaal al. Voor vele Nederlanders daarentegen moet het juist de eerste schok zijn geweest, de eerste uitvoerige kennismaking met deze tragedie, want het werd een enorm succes; binnen een paar dagen was de eerste druk van 11.000 exemplaren uitverkocht; het boek werd direct herdrukt en in het najaar volgden nog twee goedkope herdrukken van elk 50.000 exemplaren. De laatste druk, de achtste verscheen in 1985. In totaal zijn er zo'n 157.000 boeken verkocht, waarvan verreweg de meeste in de eerste jaren na verschijnen.

Toch is de grote stroom boeken over de bezettingsjaren pas losgebroken na 1969, toen deel 1 van Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog verscheen. Misschien is hierdoor Ondergang enigszins in de schaduw geplaatst. Kritiek bleef het boek niet bespaard. Presser zou te betrokken zijn geweest, zijn bronnen zijn niet altijd duidelijk, een inleiding op het Nederlandse jodendom ontbreekt, het boek trekt geen vergelijking met andere landen (nee, dat pretendeerde Presser ook niet), het historisch perspectief ontbrak, Presser heeft Weinreb verkeerd beoordeeld (inderdaad gaf Presser Weinreb het voordeel van de twijfel), zijn veroordeling van de Joodse Raad werd hem kwalijk genomen en ten slotte: hij zou te veel de nadruk hebben gelegd op het lijden, de machteloosheid en de passiviteit van de joden. Toch zijn alle latere studies over de Nederlandse joden in de Tweede Wereldoorlog niets anders dan uitwerkingen en detailleringen van wat Presser in zijn grote greep al had vastgelegd. Alles waar latere studies met meer materiaal dieper op in zijn gegaan, zakelijker, feitelijker, met meer aandacht voor de achtergronden en omstandigheden, komt al voor in Ondergang. Of het nu gaat om de noodzakelijke nuancering tussen goed en fout, over de rol van de Nederlandse politie, over joods verzet, over roof van geld en goed, over de kampen of de terugkeer. En naarmate de oorlog verder weg raakt, groeit de distantie en neemt de werkelijke betrokkenheid af.

J. Presser: Ondergang. De vervolging en verdelging van het Nederlandse jodendom, 1940-1945 twee delen. Staatsuitgeverij. Niet meer leverbaar.