Geen prentjes, geen prevelementjes

Onlangs maakte de Stichting Poetry International bekend wie dit jaar serieus meedingen naar de C. Buddingh'-prijs voor Nieuwe Nederlandse poëzie, die tijdens Poetry International op 16 juni zal worden uitgereikt. Onder de vier genomineerden is, net als in vorige jaren, opnieuw een debutant die zeker twintig jaar ouder is dan de concurrenten. Die debutant is Paul Marijnis. In 1993 publiceerde hij de roman De zeemeermin; met Gillette toont hij zich nu ook dichter.

Een laat debuut heeft soms voordelen. De gedichten in Gillette hebben iets aangenaam bedaagds. Het is gerijpte poëzie, en voor die rijping is blijkbaar ruim de tijd genomen. De taal en beeldspraak hebben de kracht van definities; wat gezegd moest worden lijkt voorgoed geformuleerd.

De flaptekst presenteert Gillette als een vorm van emblematische kunst. En inderdaad, het definiërende karakter van dit debuut past in de zinnebeeldige traditie. Maar anders dan bij zijn illustere voorgangers - van Alciatus tot en met Jan Luyken - ontbreken bij Marijnis de plaatjes en moralistische praatjes. In de klassieke emblemata-bundels is er steevast de drieslag van prent, rijmend commentaar en uitleg in proza; bij Paul Marijnis staat het rijm alleen. En dikwijls is er zelfs geen rijm, want alleen thematisch volgt Gillette de traditie. De taal, hoe kunstig ook gestileerd, is onmiskenbaar eigentijds.

Een goed voorbeeld van Marijnis' idioom biedt het gedicht `Bonte specht':

Klinkhamer wiens machinelied, een

olivetti-echo,

niet door de schors der wintereiken dringt.

Hoe je ook aanhoudt en in morseseinen zingt

vermurwt die in zichzelf gekeerde wezens niet.

Melancholieke timmerman, die steeds opnieuw begint,

hoe je ook klopt en klopt, ze doen

niet open,

dom beest. Ik blijf, hoofd in de nek, lang kijken

omdat je tegen beter weten in blijft

hopen.

Rare zinnen. De eerste is onvoltooid; de punt komt eer je hem verwacht. En wat is in de tweede zin het onderwerp van `vermurwt'? `Hoe je ook aanhoudt'? Eigenlijk is alleen de laatste zin in dit gedicht goed Nederlands. Maar dat is dan ook de conclusie van een drievoudige opsomming, waarin de dichter de lezer in zijn verbazing over de nesthakker delen laat.

In de emblematiek is de specht geen onbekende. Al in 1618 beschreef Jacob Cats in zijn Sinne- en minnebeelden hoe dom ook op hem de hardnekkigheid van die vogel overkwam.

De Specht, het grillich dier, die pickt in alle boomen,

Maer wat de geck begint, ten zijn maer rechte droomen;

Hy meynt, daer is een gat: maer t'hout is al te dick:

O vrient, een eyken boom vereyst al

harder pick.

Bij Cats gaat het echter niet om de vogel, maar om een hoger motto, dat luidt: `Gheen boom en wast op eenen dagh, / Gheen boom en valt ten eersten slagh.' In het prozacommentaar maakt de ongedurige specht dan ook plaats voor mensen vol `ketelend jeucksel van eygenliefde'.

Paul Marijnis koos driehonderdtachtig jaar na Cats voor poëtische kaalslag. Geen prentjes, geen prevelementjes; het gedicht zelf is het embleem - en dan zo absoluut als het maar kan.

Dat de verzen in Gillette niettemin vaak levendig zijn, ligt denk ik aan de herkenbaarheid van de onderwerpen. En vooral ook aan de even verrassende als vanzelfsprekende beelden waarvoor die zich lenen. Meeuwen worden bij Marijnis `de ratten van de lucht'; zwarte zwanen komen in beeld als `kokette weduwen die niet om hun doden / blijven treuren - zwart is in de mode'; een buldog is `een bom met korte lont'. In elk van de tweeëndertig gedichten zwerft dit soort juweeltjes over de regels. Rake beelden van dieren, bomen en planten, het dichterschap, of dingen als een bril, een stoel of een Gillette-mesje. Beelden ook die, het zinnebeeldige karakter ten spijt, het gemoed van de dichter tonen.

Als Jacob Cats in zijn emblemata-bundels een gedicht met `Ick' begon, betrof dat een objectieve eerste persoon, een onderwerp zonder eigen opinie. Bij Marijnis is de `ik' geen toeschouwer, maar een deelnemer die zich verleiden laat tot ontboezemingen over harten `die meer verduren kunnen dan het mijne'. Of die, in `Elegie', een kort moment nog hoop toont als hij zijn kat geconfronteerd ziet met de dood.

Zij, dreigend met een zwakke poot

blies naar de naderende dood

en ging haar laatste brug

boos, met een hoge rug.

Gootkat, dievegge, tijgerin

die nooit vergeefs iets vroeg

had aan zichzelf genoeg.

Haar snauw bevroor, haar oog besloeg,

haar zijden pels werd hard en droog -

een liefelijke vriendin

keert tot de wormen in.

Maar ik vergis me niet: de Dood

(herkende hij een speelgenoot?)

deinsde heel even voor haar moed.

Toen stak hij, en stak goed.

Het is, vind ik, het mooiste vers in Gillette. Echt zinnebeeldig is het niet - maar wel voorbeeldig, want het heeft de concentratie en de scherpte van een goed gedicht. Marijnis' mededingers naar de Buddingh'-prijs – Paul Demets Jan Lauwereyns en Ilja Leonard Pfeiffer – krijgen het moeilijk straks.

Paul Marijnis: Gillette. De Arbeiderpers, 40 blz. ƒ29,90