Filmfestival van Cannes opent met drie toppers

Het verschil tussen Cannes en alle andere filmfestivals is niet alleen de omvang, maar ook de grandeur. Het hoofdprogramma, al meer dan twintig jaar geselecteerd door Gilles Jacob, veroorzaakt steevast een feestelijk gevoel, zeker door de ambiance van sterren, palmen en de imposante kwaliteit van projectie en geluid, maar vooral door de consequente keuze voor films die er toe doen. Ze zijn meer of minder geslaagd, en niet alles spreekt iedere kijker aan; wel staat uitverkiezing door Jacob garant voor een euforisch stemmend ambitieniveau.

De eerste drie films in de competitie van het 52ste festival behoren elk tot het beste wat ik dit jaar waar dan ook gezien heb. Kadosh (Hebreeuws voor `heilig') is het slot van een drieluik van speelfilms van de door zijn documentaires bekend geworden regisseur Amos Gitaï over het leven in Haifa, Tel Aviv en Jeruzalem. In de laatste stad, in de orthodoxe wijk Mea Shearim, situeerde Gitaï een strakke, ook in de vormgeving rituele vertelling, die de religiositeit en spiritualiteit van het leven in een sekte met respect portretteert en daarom des te doeltreffender aantoont hoe het seksistische karakter van de opvattingen over huwelijk en vruchtbaarheid vrouwen beschadigen kan. Stijl en inhoud sluiten hier perfect op elkaar aan.

Dat geldt ook voor de Britse film Wonderland van Michael Winterbottom, bijna het spiegelbeeld van Kadosh: in een documentair aandoende vorm, verwant aan de opvattingen van de Deense Dogma-beweging, die vorig jaar in Cannes werd gelanceerd, stuurt Winterbottom de van de schouder draaiende camera zonder extra belichting door modern Londen. Wanhopig naar liefde zoekende personages uit de wereld van Mike Leigh lopen door elkaar in een mozaïek waarvoor Robert Altmans Short Cuts model stond. Pas na enige tijd wordt uit de losse anecdotes van de ieder in hun eigen emotionele onmacht geportretteerde hoofdpersonen een familierelatie duidelijk. En ook Winterbottom overtuigt door niet te moraliseren, maar te kijken: naar een overvolle pub tegen sluitingstijd, een dag en nacht blaffende hond van de buren, een bus in de regen, de agressiviteit van automobilisten bij het wegrijden van een voetbalwedstrijd. Net als in de Dogma-film Festen komen de voortreffelijke acteurs optimaal tot hun recht door de losse techniek van Wonderland, in een schrijnende blik op geestelijke armoede in een wereld waar consumeren het hoogste goed is geworden.

De met grote nieuwsgierigheid verwachte vierde film van het Franse wonderkind Leos Carax, bijna onzichtbaar sinds hij acht jaar geleden Les amants du Pont Neuf voltooide, maakt om andere redenen grote indruk. Pola X blijkt een onevenwichtig meesterwerk, dat geen eenduidig verhaal vertelt, enkele flagrante missers bevat, maar ook tal van gedurfde beelden, zoals je nog maar zelden tegenkomt in de film van na de Nouvelle vague, de beweging waarvan Carax zich de belangrijkste erfgenaam betoont. Er komt geen enkele Pola in de film voor; de titel verwijst naar de initialen van de Franse titel van Herman Melville's obscure roman Pierre Or The Ambiguities uit 1852, waar Carax zijn film door liet inspireren, maar het is geen kostuumstuk. Een jonge en succesvolle, de publiciteit schuwende schrijver (Guillaume Depardieu in een rol die aan Carax zelf herinnert) krijgt zo veel liefde en aandacht – bij voorbeeld van zijn moeder (Catherine Deneuve) en een voorbeeldige verloofde – dat hij op een dag alles in de steek laat, voor een Joegoslavische vluchtelinge (Katarina Golubeva), die zegt zijn zuster te zijn. Ze duiken samen onder in een oude fabriek, waar Oost-Europeanen onder leiding van een charismatisch leider (Sharunas Bartas) helse muziek produceren. Pola X is een vuurwerk van ervaringen, van intuïtieve associaties en sterke fysieke gewaarwordingen, waar je je met aangename verbazing aan kunt overgeven. Of niet, zoals uit sommige meer cerebrale reacties op de film blijkt. Met een beetje cynisme is Pola X ook af te doen als barokke aanstellerij, maar wie dat doet loopt het risico Carax' verbeeldingskracht weg te gooien met zijn overmoed.

Naast Carax, Winterbottom en Gitaï steekt de buiten competitie vertoonde openingsfilm The Barber of Siberia van Nikita Michalkov een beetje bleek af, al is het eerste uur, met de ironische, aan zijn Oci ciornie herinnerende evocatie van een gedroomd Russisch verleden, zeer de moeite waard. In een normale bioscoopweek zou je een gat in de lucht springen met zo'n film, maar in Cannes ligt de lat heel erg hoog.