Een komisch tekenaar zonder illusies

Saul Steinberg, een van de belangrijkste 20ste-eeuwse tekenaars van de Verenigde Staten, is maandag, 84 jaar oud, in New York overleden. Steinberg is de nestor van de cartoonisten, maar dan wel een cartoonist die als beeldend kunstenaar het genre in zoverre wist te overstijgen dat velen onwillekeurig door een Steinbergiaanse bril naar de Amerikaanse cultuur zijn gaan kijken. Het New-Yorkse stratenplan als geometrische doodle, de limousine als slagschip, de wolkenkrabber als ladenkast: Amerika is Steinberg en omgekeerd.

Vier maanden geleden tekende Steinberg met dat vertrouwde dunne pennetje zijn laatste cover voor The New Yorker. Meer dan vijftig jaar lang maakte hij `columns' voor dit blad. Een `writer of pictures', zoals hij zichzelf noemde, met een grote `woordenschat' en een puntig `taalgebruik', waarbij inventiviteit en relativeringsvermogen altijd samen optrekken. En nog steeds heeft het plezier waarmee hij zijn `invallen' uitwerkte, een besmettelijk effect.

In de duizenden tekeningen, collages, aquarellen en schilderijen deed hij niet aan themabeperking; daar was zijn fantasie te groot voor. Met een enkelvoudige lijn bestreek hij de globe, van een Egyptische sfinx tot een Indiase fakir. Absurdistisch of satirisch – in zijn sociaal–kritische visie is de wereld onherbergzaam en het leven zowel een koddige als eenzame onderneming. Toch blijft er in de karikaturen van zijn medemens – een hondenbezitter als bullebak, een kunstverzamelaar als opschepper, een bejaarde als seksbom – een ondergrond van mildheid voelbaar.

`Voor de verbinding tussen de kunst en het moderne bewustzijn is geen kunstenaar belangrijker dan Steinberg', vond de critius Harold Rosenberg. `Zijn speelsheid en sierlijkheid zijn van een hogere orde', stelde destijds William Shawn, hoofdredacteur van The New Yorker. Inderdaad, hoe venijnig sommige taferelen ook zijn, zoals die over het aanstellerige, Amerikaanse galeriewereldje en over de geometrisch abstracte schilderkunst, hij breekt collega's niet af, maar zet ze liever speels voor schut.

Steinberg werd in 1914 bij Boekarest geboren, groeide op in een hechte, joodse familie en scharrelde vaak rond in de werkplaats van zijn vader, een drukker–boekbinder, die dagelijks met papier, stempels, gekleurd karton en lettervormen in de weer was. Steeds keert dat gereedschap van stempels en linialen terug, minitieus getekend of geaquarelleerd als kostbare instrumenten. Het met lijnen of blokken voorgedrukte papier, dat in die werkplaats voorhanden was, kwam hem later van pas in zijn collages van boordevolle, Amerikaanse stadsgezichten. Het ruitjespapier uit een rekenschrift bleek als `geknipt' voor de gevel van een wolkenkrabber.

Ook de houten letters, cijfers, uitroep- of vraagtekens van zijn vader werden levenslange kameraden. Hij blies ze leven in of transformeerde ze tot een bouwwerk. `Het karakter van het vraagteken is weifelmoedig', zei Steinberg; `je vraagt je af hoe het komt dat het bovenste deel van het vraagteken altijd passief de punt volgt, terwijl de bovenste helft van het uitroepteken zo streng, zo arrogant, zo zelfzuchtig is.'

Het was vooral de literatuur die hem vormde. Tien jaar oud las hij al de Russische klassieken, Emile Zola, Anatole France, en diepe indruk maakte vooral Robinson Crusoë, want `die kon uit het niets een parodie van de beschaving reconstrueren, (..) een wereld scheppen die niet bestond'. Steinberg legde de basis voor zo'n zelfde eigen wereld met een studie architectuur in Milaan. Je leerde er vooral je potloden te slijpen en je vlakgom kalm na te duiken, vertelde hij aan criticus Robert Hughes. Toch moeten ook het ruimtelijk inzicht, het perspectivisch tekenen en de architectonische detaillering er grondig zijn ingepompt. Hij excelleerde als een komische architect op de vierkante decimeter. Of het nu de grootse overkapping van het station van Nice is of de hekseketel van Manhattan, het zijn plekken die elke toeschouwer als visueel-ruimtelijk correct ervaart.

Nadat Steinberg in 1940 was afgestudeerd als architect, ontvluchtte hij meteen het fascistische Italië. Met een eigenhandig `enigszins vervalst paspoort' nam hij via Portugal de wijk naar Amerika, het land dat hem in Santo Domingo een jaar lang op zijn visum liet wachten. Eenmaal Amerikaans staatsburger meldde hij zich in 1943 aan bij de marine die hem in China stationeerde. Hij leerde er via tekeningen met Chinese guerilla's te communiceren.

Behept met `een geografisch snobisme', zoals hij het noemde, reisde hij met zijn schetsboek nadien van Kairo naar Palermo, van Istanboel naar Palm Beach. Kort nadat zijn eerste boek was verschenen, oorlogstekeningen in All in Line, nodigde het Museum of Modern Art in New York hem in 1946 al uit voor een tentoonstelling. Meer bekendheid kreeg hij met het boek The Passport, 1954, waarin de spot gedreven wordt met het gewicht van officiële documenten door handtekeningen te vervalsen en portretten samen te stellen uit vingerafdrukken.

Datzelfde, later herdrukte boek bood al het hele spectrum van tekentechnieken en onderwerpen – van letters tot de illusieloze levensloop van de mens – dat hem verder zou bezighouden. Hoe `horror'achtig, potsierlijk en weids hij zijn tweede vaderland die volgende decennia heeft ervaren, spreekt uit de recente, genadeloze bladen in The Discovery of America, 1992. Het leven is intussen opgevoerd van de tweede naar de vijfde versnelling. Steinberg zat in de zijspan, sleep zijn potlood, dook af en toe kalm naar zijn gommetje en vatte de eind-20ste-eeuwse hectiek als een kernachtige chaos samen.