Derderangsmensen met vijfderangskoppen

`Kakkerlakken kunnen vliegen, maar vinden lopen prettiger', stelt acteur en schrijver Aat Ceelen vast in zijn roman Het kanaal. Ceelen (1950) schrijft over de zelfkant van de maatschappij. Over zonderlinge asocialen, vieze mensen wentelend in eigen vuil, kakkerlakken van de samenleving waarmee niemand wat te maken wil hebben. Zijn verhalenbundels Hotel Kramoesie (1993), De kachelman (1995) en Ivan en Rosa (1997) bevatten korte, grappige portretten van kleurrijke zelfkanters, met ruime aandacht voor hun drankgebruik en seksleven. Ceelen heeft nu voor het eerst een hele roman aan zo'n zonderling gewijd.

De plaats van handeling is een typisch Ceelen-decor. `Welkom in Schizoland', schrijft hij. In een kanaal aan de rand van de stad, tussen snelweg en braakland, liggen een paar woonboten. Reeds van verre kun je de kettinghonden horen blaffen. Een `halfgare lorrennicht' gekleed in een bruine jurk staat met een bijl in zijn hand bij een verzakte caravan. In een van de boten woont de hoofdpersoon, een dichter. Op het eerste gezicht lijkt de dichter niet zo zonderling. Hij is welbespraakt en hij heeft een leuke vriendin die Betty heet. Op de `gedepriveerden' die hem omringen kijkt hij neer. Maar naarmate het verhaal vordert wordt de dichter almaar gestoorder. `Het zwarte' sluipt bij hem naar binnen.

De dichter is te zenuwachtig en te angstig om te werken. Daarom blijft hij op de boot en schrijft hij een `epopee', een klein heldendicht over een bezoek aan de supermarkt, het enige uitje dat hij zich veroorlooft. Ook van het `epopee' komt niets terecht. Na maanden zwoegen heeft hij nog maar negen van de geplande driehonderd zangen geschreven. Betty kan niet meer tegen het monomane gekanker van haar vriend en gaat er vandoor met de redacteur van Kaaientaal, het enige tijdschrift waarin de dichter ooit publiceerde.

Aat Ceelen moet het hebben van zijn stijl: een mengelmoes van oververzorgd taalgebruik, bargoense scheldpartijen en naïeve kinderlijke taal die onverminderd op de lachspieren werkt: zijn personages zijn doorgaans erg passief en verliezen zich graag in mijmeringen, perverse sprookjes vol seks en geweld, en tirades vol inventieve scheldwoorden, als `ouwe reetapen', `stofnest' en `hobbyhoertje'. Als Ceelen flink doordraaft, op het randje van de goede smaak balancerend, is hij op zijn best. Soms valt hij over de rand en wordt het melig. Maar dat vergeef je hem graag.

Verhalen vertellen is zijn minder sterke kant. De intriges in zijn korte verhalen zijn doorgaans minimaal en ze eindigen vaak ook abrupt, alsof de schrijver het niet meer wist. Bij een kort verhaal geeft dat niet, bij iets van langere adem kan het een groot probleem zijn. Is Ceelen ook leuk in romanvorm?

In veel opzichten verschilt de roman niet van zijn verhalen. Ook in dit boek houdt een bewegingloze nietsnut lange tirades, tegen bejaarden, apen, het centraal zenuwstelsel en tegen figuranten: `Huisvrouwen met een hersenbeschadiging, bejaarden met een plasprobleem (...) derderangsmensen met vijfderangskoppen, allemaal mensen zonder enkel talent, op het talent na om de oren van je kop te ouweteringhoeren over hun hondjes en hun kwalen.'

Fantaseren doet hij over het vermoorden van bejaarden in de supermarkt; over hoe een herdershond aan zijn einde is gekomen; en over Eddie, de overbuurman die jurken draagt. Eddie temt een kakkerklak om hem in de `heerlijk warme kerf' van Betty te laten kruipen. Verder steelt Eddie damesondergoed van de waslijn: `Erg handig was hij ook daarbij niet te werk gegaan, bij dat pikken van de slippen. Hij had er zich namelijk altijd eerst van vergewist of de broekjes wel honderd procent kunststof waren, want in dure broekjes met onzin was Eddie niet geïnteresseerd, het moesten eerlijke vrouwenbroekjes zijn en anders niet.' Deze laatste fantasie groeit uit tot een prachtig, op zichzelf staand verhaal binnen de roman.

De grappige tirades en rêverieën zijn echter uitzondering. In plaats daarvan bouwt Ceelen een redelijk conventioneel verhaal op over een liefde die vergaat en een dichter die gek wordt. De roman heeft een degelijke spanningsboog, extra gestut door een moordscène en enkele ingebouwde cliffhangers. Dit maakt Het kanaal een stuk normaler dan zijn wonderlijke fantasieverhalen. Ceelen weet dit keer maat te houden. Dat is een verdienste; naast verbazen en amuseren blijkt Ceelen nu ook te kunnen ontroeren. Maar het is ook een verlies. Het kanaal is minder opzienbarend dan zijn vorige boeken. Bovendien is de grapdichtheid veel lager.

Ceelen is echter nog altijd geen normale schrijver. Zijn wereld blijft een onnavolgbare, angstaanjagende beerput. Zeker op het eind van de roman, als de lezer wordt meegesleurd in de paranoïde waanbeelden van de dichter, staat het braken je vaak nader dan het lachen. Het is grappig, maar ook ziek en onaangenaam. De zwarte doemsfeer die over Het kanaal hangt, tilt de roman uit boven de voorafgaande boeken, die voornamelijk vrolijk amusement boden. Wie het boek uitheeft, voelt de dringende behoefte om een douche te nemen.

Aat Ceelen: Het kanaal. L.J. Veen, 134 blz. ƒ24,90