De schrik van de langzame onthulling

John Diamond had een bult in zijn nek. Zijn dokter vermoedde een onschuldige cyste, die hij liet weghalen. Maar bij controle vond de patholoog kankercellen: het was een plaveiselcel-carcinoom. Bestraling zou Diamond vrijwel zeker genezen, was de verwachting. Maar aan het eind van het boek K is een deel van Diamonds tong weggesneden omdat de tumor zich er had genesteld. Diamond, Brits journalist en radiomaker, schrijft zijn laatste pagina's terwijl hij afwacht of de kanker verder is uitgezaaid. Door de schade aan zijn tong kan hij niet meer voor de radio werken. De lezers van The Times hield hij anderhalf jaar in een column op de hoogte van zijn ziekte.

Andrea Willemsen, bestuurskundige, zelfstandig adviseur en voor D66 actief in de gemeentepolitiek, werd in 1990 tijdens een fietstochtje met haar man op een zonnige herfstzondag door een bromfietser aangereden. Zijn helm klapte tegen haar hoofd. Ze was korte tijd bewusteloos en had een aangezichtsfractuur. Toen ze bijkwam wist ze niets meer van het ongeluk.

Eenmaal thuis verbeterde haar situatie langzaam, maar uiteindelijk werd Willemsem geheel arbeidsongeschikt verklaard. Na jaren touwtrekken kreeg ze een schadevergoeding voor gederfd inkomen tot haar zestigste, van de verzekeraar van de bromfietser. Daarmee was in één klap de verzekeringspremie van duizenden collega-bromfietsers er doorheen gedraaid, schrijft haar man in een feitelijk verslag van het juridisch steekspel.

Diamond en Willemsen zijn allebei patiënten en beiden schreven een boek over hun ziekte. Daar houden de overeenkomsten op. Diamond neemt het leven zoals het is. De kanker overkomt hem. Wat zijn artsen hem voorschotelen als een makkelijk geneesbaar tumortje ontwikkelt zich tot een hardnekkige kanker. Een operatie ontneemt hem geruime tijd zijn spraak en zijn vermogen om eten en drinken tot zich te nemen. Aan het eind van het boek is het nog maar de vraag of hij hersteld is, of toch zal overlijden.

Diamond neemt waar dat alle artsen het `principe van de geleidelijke onthulling' hanteren. Ze vertellen hem dat hij 92 procent kans heeft om over tien jaar nog te leven, als hij zich dertigmaal laat bestralen. Een collega die medische journalistiek bedrijft vertelt hem wat dat betekent: verbrande huid, voorbijgaande smaakproblemen (`alles smaakt naar ranzig behang of naar accuzuur'), speekselklieren die tijdelijk, maar misschien voorgoed verloren gaan, verrotte tanden, kale plekken. De artsen vertellen dat ook wel, maar terloops, met de woorden: `O ja, dat is waar ook, het is verstandig als u van tevoren nog even naar de tandarts gaat. Gebitselementen die niet helemaal in orde zijn kunnen beter vooraf getrokken worden'.

Diamond begint zijn boek als een cynische Britse journalist. Hij rookt, hij drinkt, hij neemt zijn ongeruste vrouw niet serieus. Na een operatie en twee reeksen bestralingen is hij een geëmotioneerde echtgenoot en vader die zich afvraagt of hij zijn zoontje nog zal zien opgroeien, en of het gelukkige leven dat hij met zijn (tweede) vrouw heeft nog lang zal duren. Deze verandering in persoonlijkheid, die veel kankerpatiënten beleven, maakt zijn boek indrukwekkend. Sterk is ook de beschrijving van Diamonds acceptatie van het lot, gecombineerd met het voornemen er zelf het beste van te maken. Hij zoekt geen oorzaken buiten zichzelf, hij valt zijn artsen niet af.

Andrea Willemsen (`Ik was een Porsche en ben gereduceerd tot een 2CV') overlaadt daarentegen iedereen met verwijten. Allereerst de bromfietser. De `verkeerscrimineel' noemt ze hem, in de tweede regel van haar boek. Halverwege het boek staan twee brieven, die ze niet verstuurde maar nu wel publiceert. `Ik haat je niet, hoewel ik vind dat ik daar alle reden toe heb' is de dubbele boodschap die ze via het boek alsnog bij haar dader bezorgt. Ook de neurologen van het Academisch Ziekenhuis Utrecht krijgen het hard te verduren. Wat Diamond beschrijft als het `principe van de geleidelijke onthulling' ontmoet bij Willemsen slechts onbegrip. Over revalidatie hoort ze geen woord. Over wat haar precies mankeert en over wat haar vooruitzichten zijn, ook niet.

Willemsen verwijt de neurologen dat ze haar hersenen onvoldoende hebben gediagnosticeerd. Ze heeft bovendien gehoord dat in academische ziekenhuizen `semi-care' afdelingen bestaan voor spoedopnamen van verkeersslachtoffers omdat de `gewone' intensive care wordt gebruikt voor operatiepatiënten op het gebied van hart- en neurochirurgie, wat de terreinen zijn waarmee artsen kunnen scoren op hun wetenschappelijke congressen.

Deze passages zijn doordesemd met de gedachte dat het haar beter zou zijn gegaan als er meer diagnostiek was verricht. Maar de vraag is wat de neurologen met al die hersenplaatjes hadden aangemoeten. Als een aantal zaken in orde zijn, helpt alleen afwachten. Willemsen is echter zo overtuigd van het tekort aan zorg dat ze voor de Stichting Contusio Cerebri Fonds die ze inmiddels heeft opgericht, als embleem een op zijn rug liggend schaap (het verwentelde schaap) heeft genomen. Zo'n schaap gaat dood, maar als hij op tijd weer op zijn pootjes wordt gezet herstelt hij zonder schade. `Dan pas zie ik de overeenkomst tussen het verwentelde schaap en het bewusteloze, in coma geraakte verkeersslachtoffer. Ook die heeft terstond een hulpactie nodig om het letsel te beperken.'

Het is een waanbeeld. En de deskundigen die in- en uitleidingen bij haar boek schreven hadden haar daar wel op mogen wijzen. Ze zegt dat het haar allemaal niet is verteld, maar of dat waar is kan zij niet zeker weten, en wij dus ook niet. Het resultaat is een boek vol rancune.

John Diamond: K. Omdat ook lafaards kanker kunnen krijgen. Vertaald uit het Engels door Prometheus, 224 blz. ƒ34,90

Andrea Willemse: Hersenkneuzing. De Geus, 240 blz. ƒ34,90