De psychiater als prothesemaker

Volgens psychiater Jos de Kroon (1945) gaat het de verkeerde kant op met de psychiatrie. Het vak slingerde altijd al heen en weer tussen biologische, psychologische en sociale verklaringen voor geestesziekten, maar nu is de slinger wel heel ver doorgeslagen naar het medische verklaringsmodel. Psychotherapie is uit. Geestesziekten zijn weer `gewoon' hersenziekten. Stel je voor dat de slinger op dit punt blijft hangen, filosofeert De Kroon in Omzien naar de psyche. Dan zou de aandacht voor het `subject' verdwijnen uit de psychiatrie, die daarmee verraad zou plegen aan haar ware aard: `interesse in de mens in zijn wereld'. Met zijn boek, dat als ondertitel heeft Een kritisch-historische benadering van de psychiatrie, wil De Kroon zijn collega's wakker schudden uit het `naïeve geloof' dat geestesziekten biologisch bepaald zijn en dat de oorzaak ervan via noeste wetenschappelijke arbeid kan worden gevonden.

Zijn prikkelende kritiek doet denken aan het `antipsychiatrische' protest uit de jaren zestig en zeventig, dat zich ook keerde tegen een eenzijdig `medisch model' in de psychiatrie. Critici als Ronald D. Laing en Jan Foudraine betoogden toen, net als De Kroon nu, dat `gekken' geen `kapotte apparaten' zijn. Door goed naar hen te luisteren en te zoeken naar `zin in de waanzin', zou blijken dat bijvoorbeeld een psychose eigenlijk een signaal is van hetgeen er mis is met iemands levensomstandigheden, verleden of gezinssituatie. De mens wordt bepaald door interactie met zijn omgeving.

De Kroon is echter genuanceerder en minder maatschappijkritisch dan zijn rebelse voorgangers van weleer. De psychoticus is bij hem geen reiziger op weg naar een hoger bewustzijn, of slachtoffer van de vervreemding in de westerse prestatiemaatschappij. De biologische psychiatrie is geen onderdrukkend machtsbolwerk dat zou moeten worden afgeschaft. Op biologisch gebied is sinds de jaren zestig nu eenmaal ook veel gebeurd dat niet zo simpel te loochenen valt. Men constateerde allerlei verschillen tussen de hersenen van `normale' mensen en die van psychiatrische patiënten. Zo werden verbanden ontdekt tussen geestesziekten en afwijkende hoeveelheden neurotransmitters in de hersenen, zoals serotonine en dopamine. Moderne `brain-imaging' technieken brengen de werking van het brein gedetailleerder in beeld.

Dit leverde betere medicijnen op en `mooie gekleurde plaatjes' van de hersenen, aldus De Kroon, maar psychiaters moeten zich daardoor niet het hoofd op hol laten brengen. Want het is nog steeds onduidelijk of de oorzaak van psychiatrische aandoeningen ook biologisch van aard is. Misschien veranderen de hersenen wel juist als gevolg van psychische problemen. Bovendien is de mens geen machine. Zijn wezen ligt eerder in de `betrokkenheid op de ander' en de aard van psychopathologie in `gestremde communicatie'.

Om zijn betoog te versterken, grijpt De Kroon naar de geschiedenis. Aan de hand van denkbeelden van artsen, filosofen, theologen en psychiaters van de oude Egyptenaren tot nu, wil hij aantonen dat er geen eenduidige waarheid bestaat over de aard van de mens en zijn geestesziekten. Zijn opsomming van psychiatrische denkbeelden voegt echter weinig toe aan de bestaande literatuur over de geschiedenis van de psychiatrie, behalve wanneer hij onderbelichte figuren portretteert als de `Franse Freud', Jacques Lacan, en de excentrieke Garain de Clérambault. Ook marcheert De Kroon in zijn bevlogenheid regelrecht in de valkuil van het `presentisme': zijn mening over de huidige psychiatrie leidt tot gekleurde, vaak oppervlakkige geschiedschrijving en een speurtocht naar foute dan wel goede ideeën uit het verleden.

Wat dat presentisme betreft is Omzien naar de psyche vergelijkbaar met Edward Shorters A history of psychiatry (1997), hoewel Shorter juist de biologische psychiatrie verdedigt. De boeken zijn perfecte ideologische spiegelbeelden. Zo doet Shorter Freud af als een oversekste kwakzalver, terwijl De Kroon juist Shorters held, de biologisch psychiater Emil Kraepelin, karikaturaal neerzet als een kille, rigide hokjesdenker.

Interessanter is Omzien naar de psyche wanneer De Kroon, die werkzaam is als opleider van aankomend psychiaters bij de GGZ Eindhoven, de huidige situatie onder de loupe neemt. De psychiatrische theorie aan het eind van het millennium noemt hij `mager en eenzijdig'. Gepsychologiseerd wordt er nauwelijks meer. Inzichtgevende therapie wordt vervangen door gedragstherapie. Biologie en statistiek overheersen en `economen en beroepsmanagers' maken de dienst uit. Psychiaters pretenderen weliswaar een veelzijdig `biopsychosociaal model' te hanteren, maar in de praktijk overheerst de medische pragmatiek. Een depressie behandelen zonder pillen heet medisch onverantwoordelijk. Wie het positivistische dogma bekritiseert en een lans breekt voor de psychoanalyse, wordt uitgemaakt voor gevaarlijke zwever. Patiënten met psychotische klachten worden al snel tot `chronisch gehandicapt' bestempeld en krijgen een `prothese' aangemeten in de vorm van pillen en `zorgstructuren', zoals een beschermde woonvoorziening in de stad en een vorm van dagbesteding.

De Kroon bepleit een herwaardering van de psychotherapie en gezinstherapie bij psychotici. De psychose weerspiegelt immers de levensgeschiedenis en gezinssituatie van de zieke persoon, zo volgt hij de denkbeelden van Jacques Lacan, die vooral populair was in Frankrijk in de jaren zestig en zeventig. Het is een sympathiek concept: uitgebreide aandacht van een psychiater die zoekt naar de zin in jouw waanzin. Het is ook goed dat er tegengeluiden klinken wanneer een biologisch reductionisme dreigt. Maar het toepassen van psychotherapie bij psychotici is natuurlijk geen nieuw idee. Het is één van de grootste strijdpunten uit de naoorlogse psychiatrie. Het zou interessant zijn geweest als De Kroon de geschiedenis van dit `pijnpunt' wat meer had uitgediept. Welke ervaringen zijn er opgedaan met psychotherapie bij psychosen, en waarom heeft de psychiatrische wereld er nu blijkbaar zo nadrukkelijk afstand van genomen? Is dat puur een kwestie van ideologie, modes en bezuinigingen, of bleek psychotherapie bij psychotici weinig succesvol? Ook komen de meningen van patiënten bij De Kroon niet aan bod. Daardoor blijft het de vraag wie eigenlijk het meest ontevreden is: de psychiatrische patiënt met zijn `prothese' van medicijnen en moderne zorgstructuren, of De Kroon met zijn beroep als `prothese-maker'.

Jos de Kroon: Omzien naar de psyche. Een kritisch-historische benadering van de psychiatrie.

Boom, 317 blz. ƒ59,–